Hoge Raad · 31 mei 2000
Enquête: wanbeleid en verantwoordelijkheid Verzekeringskamer onder noodregeling; cassatie, verwijzing
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure had de OK vastgesteld dat sprake was van wanbeleid bij een failliete verzekeraar en de toezichthouder daarvoor mede verantwoordelijk gehouden voor de behandeling van contracten met een bank onder de noodregeling. De Hoge Raad vernietigt: de OK is deels buiten de rechtsstrijd getreden en heeft haar oordeel over het verweer van de toezichthouder ontoereikend gemotiveerd. De toerekening van kennis van bestuur en commissarissen aan de toezichthouder als gemachtigde acht de Hoge Raad wel juist. De zaak wordt naar de OK verwezen.
Kernoverwegingen
“Het eerste onderdeel betoogt (primair) dat de Ondernemingskamer buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door als wanbeleid te wraken het handelen van (Vie d’Or uitgevoerd door) de Verzekeringskamer (A) in verband met de op 20 december 1993 door Merrill Lynch gedane opzegging van de ten processe bedoelde contracten en (B) in verband met de wijze van afrekening door Merrill Lynch van die contracten. Het onderdeel dat terecht tot uitgangspunt neemt dat de Ondernemingskamer slechts een oordeel mag geven over hetgeen haar door de vordering van de PG in het kader van dit geding is voorgelegd, treft gedeeltelijk doel. Daartoe wordt als volgt overwogen. In de vordering van de PG ligt besloten dat aan de Verzekeringskamer het verwijt wordt gemaakt dat zij op lichtvaardige wijze met de ML-contracten is omgegaan in verband met de kans op opzegging daarvan door Merrill Lynch met de daaraan verbonden nadelige gevolgen. Daarbij heeft de PG weliswaar het zwaartepunt van dit verwijt gelegd bij het tijdstip waarop de noodregeling is aangevraagd - hetgeen de Ondernemingskamer buiten beschouwing heeft gelaten -, doch het oordeel van de Ondernemingskamer dat in de vordering van de PG ook is begrepen dat de Verzekeringskamer zich onvoldoende in de contracten heeft verdiept en zich, mede als gevolg daarvan, op gebrekkige wijze tegen de opzegging ervan heeft verweerd, is niet onbegrijpelijk en kan, als voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, in cassatie niet op juistheid […]”
r.o. 3.4.1
“Het tweede onderdeel strekt ten betoge dat de Ondernemingskamer haar oordeel dat de Verzekeringskamer mede verantwoordelijk is voor het geconstateerde wanbeleid van Vie d’Or heeft gebaseerd op toerekening aan haar van - feitelijk ontbrekende - kennis van de inhoud van de risico’s van de ML-contracten. Het onderdeel dat een aantal rechts- en motiveringsklachten bevat, faalt. De oordelen van de Ondernemingskamer dat de Verzekeringskamer in de periode van de noodregeling (i) al beschikte, of had kunnen beschikken, over kennis die zij in de daaraan voorafgaande periode had opgedaan, of had kunnen opdoen, en (ii) in elk geval geacht moet worden als gemachtigde, aan wie de kennis van bestuur en commissarissen van Vie d’Or moet worden toegerekend, over die kennis te beschikken, getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Die oordelen zijn niet onbegrijpelijk en zij kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. 3.4.3 Met betrekking tot het derde onderdeel van het middel overweegt de Hoge Raad als volgt. De Verzekeringskamer heeft aangevoerd dat het ingaan van de noodregeling ex art. 66 Wtv door Merrill Lynch kon worden opgevat, en ook is opgevat, als een “event of default” als bedoeld in de onderhavige contracten, op grond waarvan Merrill Lynch bevoegd was die contracten op te zeggen. De Ondernemingskamer heeft niet vastgesteld dat die stelling, die overeenstemt met de mening van de onderzoekers, […]”
r.o. 3.4.2
“Met betrekking tot het derde onderdeel van het middel overweegt de Hoge Raad als volgt. De Verzekeringskamer heeft aangevoerd dat het ingaan van de noodregeling ex art. 66 Wtv door Merrill Lynch kon worden opgevat, en ook is opgevat, als een “event of default” als bedoeld in de onderhavige contracten, op grond waarvan Merrill Lynch bevoegd was die contracten op te zeggen. De Ondernemingskamer heeft niet vastgesteld dat die stelling, die overeenstemt met de mening van de onderzoekers, onjuist was. Daarom is zonder nadere motivering, die evenwel ontbreekt, niet begrijpelijk op grond waarvan aan de Verzekeringskamer wordt verweten dat zij zich onvoldoende tegen de opzegging van die contracten heeft verweerd. Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat die opzegging reeds heeft plaatsgevonden op 20 december 1993, dus enkele dagen na het ingaan van de noodregeling. De Ondernemingskamer heeft bovendien geen feiten en omstandigheden vastgesteld waaruit zou kunnen blijken dat een dergelijk verweer een goede kans van slagen gehad zou kunnen hebben. Voorts klaagt het middel er terecht over dat de Ondernemingskamer zonder toereikende motivering is voorbijgegaan aan haar - aan de hand van concrete feiten gevoerde - verweer dat zij deugdelijke pogingen heeft ondernomen Merrill Lynch ertoe te bewegen deze opzegging ongedaan te maken, althans de nadelige gevolgen ervan te beperken, en dat die pogingen niet zijn geslaagd als gevolg van omstandigheden waarvoor zij geen […]”
r.o. 3.4.3