Hoge Raad · 14 juli 2000
Afwijzing enquêteverzoek vakbonden na reorganisaties blijft in stand
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Twee vakbonden verzochten om een enquête naar het beleid van een besloten vennootschap na meerdere reorganisaties. De OK wees dit af omdat er onvoldoende gegronde reden was om aan het beleid te twijfelen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep: de OK hanteerde de juiste maatstaf en motiveerde haar feitelijke oordeel toereikend.
Kernoverwegingen
“Voorzover onderdeel 2 van het middel tot uitgangspunt neemt dat de Ondernemingskamer in rov. 4.3 van haar beschikking als haar oordeel te kennen heeft gegeven dat is gebleken van gegronde redenen om te twijfelen aan de juistheid van het beleid van EBS, mist het feitelijke grondslag. In die overweging verwerpt de Ondernemingskamer slechts de stelling van EBS dat het verzoek van de Bonden zonder redelijke grond is gedaan. 3.5 De Ondernemingskamer is door eerst te onderzoeken of er een gegronde reden is aan een juist beleid van de vennootschap te twijfelen, uitgegaan van een juiste rechtsopvatting. De rechtsklacht faalt daarom. 3.6 Het onderdeel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden, omdat de Ondernemingskamer haar oordeel dat er onvoldoende reden is om aan de juistheid van het beleid van EBS te twijfelen toereikend heeft gemotiveerd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet op zijn juistheid worden getoetst. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, A. Hammerstein en P. Lourens, en door de raadsheer O. de Savornin Lohman in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2000.”
r.o. 3.4
“De Ondernemingskamer is door eerst te onderzoeken of er een gegronde reden is aan een juist beleid van de vennootschap te twijfelen, uitgegaan van een juiste rechtsopvatting. De rechtsklacht faalt daarom. 3.6 Het onderdeel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden, omdat de Ondernemingskamer haar oordeel dat er onvoldoende reden is om aan de juistheid van het beleid van EBS te twijfelen toereikend heeft gemotiveerd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet op zijn juistheid worden getoetst. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, A. Hammerstein en P. Lourens, en door de raadsheer O. de Savornin Lohman in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2000.”
r.o. 3.5
“Het onderdeel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden, omdat de Ondernemingskamer haar oordeel dat er onvoldoende reden is om aan de juistheid van het beleid van EBS te twijfelen toereikend heeft gemotiveerd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet op zijn juistheid worden getoetst. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, A. Hammerstein en P. Lourens, en door de raadsheer O. de Savornin Lohman in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2000.”
r.o. 3.6