Hoge Raad · 27 september 2000
Gucci
Enquêterecht: OK mag zonder onderzoek geen wanbeleid vaststellen en voorzieningen treffen
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêtezaak had de OK, zonder een onderzoek te gelasten, wanbeleid vastgesteld en voorzieningen getroffen. De Hoge Raad oordeelt dat het enquêterecht twee afzonderlijke procedures kent. Voorzieningen kunnen pas worden getroffen als uit het onderzoeksverslag wanbeleid is gebleken. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de OK.
Kernoverwegingen
“De middelen met betrekking tot rov. 3.11 gaan terecht ervan uit dat het in de wet vastgelegde stelsel van het recht van enquête twee afzonderlijke procedures inhoudt. De eerste procedure voorziet in de mogelijkheid van een verzoek tot het instellen van een onderzoek als nader in art. 2:345 BW is omschreven. De tweede procedure, bedoeld in art. 2:355, komt pas aan de orde indien het in art. 2:345 bedoelde verzoek is toegewezen en nadat het verslag van de uitkomst van het onderzoek op de voet van art. 2:353 ter griffie is nedergelegd. 4.2 Het in rov. 3.11 van haar beschikking neergelegde oordeel van de Ondernemingskamer getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In de eerste plaats blijkt immers uit de bewoordingen en het stelsel van de wet dat de Ondernemingskamer pas bevoegd is tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:355 in verbinding met art. 2:356 “indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken”. In de tweede plaats volgt ook uit de ontstaansgeschiedenis van de onderhavige bepalingen - zoals vermeld in de conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 5.2.5.1. tot en met 5.2.6.1 - dat de wetgever heeft bedoeld dat voormelde voorzieningen pas kunnen worden getroffen nadat de eerste procedure is geëindigd met het verslag van het onderzoek en voorzover daaruit blijkt dat er sprake is geweest van wanbeleid van de rechtspersoon. In de derde plaats moet ook op grond van de strekking van de wet worden aangenomen dat de Ondernemingskamer niet de […]”
r.o. 4.1
“Het in rov. 3.11 van haar beschikking neergelegde oordeel van de Ondernemingskamer getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In de eerste plaats blijkt immers uit de bewoordingen en het stelsel van de wet dat de Ondernemingskamer pas bevoegd is tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:355 in verbinding met art. 2:356 “indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken”. In de tweede plaats volgt ook uit de ontstaansgeschiedenis van de onderhavige bepalingen - zoals vermeld in de conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 5.2.5.1. tot en met 5.2.6.1 - dat de wetgever heeft bedoeld dat voormelde voorzieningen pas kunnen worden getroffen nadat de eerste procedure is geëindigd met het verslag van het onderzoek en voorzover daaruit blijkt dat er sprake is geweest van wanbeleid van de rechtspersoon. In de derde plaats moet ook op grond van de strekking van de wet worden aangenomen dat de Ondernemingskamer niet de bevoegdheid heeft gekregen zelfstandig op basis van door haar vastgestelde feiten te oordelen dat van wanbeleid is gebleken en op basis van uitsluitend haar eigen oordeel voorzieningen te treffen. Die strekking houdt in dat de wet voorziet in een aparte rechtsgang bij een daartoe speciaal aangewezen rechterlijke instantie ter zake van het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon. Dat onderzoek vormt de kern van het in de wet neergelegde stelsel van het enquêterecht. De Ondernemingskamer kan in […]”
r.o. 4.2
“De middelen met betrekking tot rov. 3.11 treffen doel. De overige middelen behoeven geen behandeling. 5. Verwijzing en kosten van het geding 5.1 De Ondernemingskamer zal na verwijzing opnieuw moeten beoordelen of het oorspronkelijke verzoek tot het instellen van een onderzoek op grond van de in de wet neergelegde maatstaf al dan niet toewijsbaar is. 5.2 De Hoge Raad ziet grond te bepalen dat ieder van partijen de eigen kosten van het geding in cassatie draagt. 6. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van de Ondernemingskamer van 27 mei 1999; verwijst het geding naar de Ondernemingskamer ter verdere behandeling en beslissing; compenseert de kosten van het geding in cassatie zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, A. Hammerstein, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, en door de vice-president E. Korthals Altes in het openbaar uitgesproken op 27 september 2000.”
r.o. 4.3