← Week 11

Hoge Raad · 14 maart 2001

Cassatie in uitkoopzaak: afstand van recht tot uitkoop en tussenkomst

  • Uitkoop
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van een tussenkomende partij in een uitkoopzaak voor de OK. De klacht dat de OK ten onrechte de stelling over afstand van het recht om uit te kopen als te vaag passeerde, faalt: dat oordeel is gemotiveerd, niet onjuist of onbegrijpelijk en feitelijk van aard. Ook de overige middelen leiden niet tot cassatie.

Kernoverwegingen

“Middel II faalt op de gronden vermeld in de onderdelen 3.3.2 en 3.3.3 van de conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal. 3.3. Middel IV keert zich tegen het oordeel in rov. 8.6 van het arrest van 22 augustus 1996, waarin de Ondernemingskamer de stelling dat VWB afstand had gedaan van haar recht de vordering tot uitkoop in te stellen, als te vaag heeft gepasseerd. De Ondernemingskamer heeft haar oordeel in die overweging van dat arrest gemotiveerd. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor het overige kan het, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet worden getoetst. 3.4. Middel V klaagt dat de Ondernemingskamer alleen die stellingen in haar oordeelsvorming heeft betrokken die rechtstreeks verband houden met het belang dat [eiser] bij tussenkomst heeft. Bij gebrek aan feitelijke grondslag kan het middel niet tot cassatie leiden. De Ondernemingskamer heeft weliswaar overwogen dat de verweren die met het doel van de tussenkomst geen verband houden, niet aan orde kunnen komen, doch zij is desondanks op de verweren van [eiser] inhoudelijk ingegaan in rov. 7.2, 7.3, 7.5 en 7.6 van haar arrest van 22 augustus 1996 en in rov. 3.5.1 van haar arrest van 28 oktober 1999. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van VWB begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en op ƒ 3.000,-- voor salaris en […]”

r.o. 3.2

“Middel IV keert zich tegen het oordeel in rov. 8.6 van het arrest van 22 augustus 1996, waarin de Ondernemingskamer de stelling dat VWB afstand had gedaan van haar recht de vordering tot uitkoop in te stellen, als te vaag heeft gepasseerd. De Ondernemingskamer heeft haar oordeel in die overweging van dat arrest gemotiveerd. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor het overige kan het, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet worden getoetst. 3.4. Middel V klaagt dat de Ondernemingskamer alleen die stellingen in haar oordeelsvorming heeft betrokken die rechtstreeks verband houden met het belang dat [eiser] bij tussenkomst heeft. Bij gebrek aan feitelijke grondslag kan het middel niet tot cassatie leiden. De Ondernemingskamer heeft weliswaar overwogen dat de verweren die met het doel van de tussenkomst geen verband houden, niet aan orde kunnen komen, doch zij is desondanks op de verweren van [eiser] inhoudelijk ingegaan in rov. 7.2, 7.3, 7.5 en 7.6 van haar arrest van 22 augustus 1996 en in rov. 3.5.1 van haar arrest van 28 oktober 1999. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van VWB begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en op ƒ 3.000,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerster 2] op nihil. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren […]”

r.o. 3.3

“Middel V klaagt dat de Ondernemingskamer alleen die stellingen in haar oordeelsvorming heeft betrokken die rechtstreeks verband houden met het belang dat [eiser] bij tussenkomst heeft. Bij gebrek aan feitelijke grondslag kan het middel niet tot cassatie leiden. De Ondernemingskamer heeft weliswaar overwogen dat de verweren die met het doel van de tussenkomst geen verband houden, niet aan orde kunnen komen, doch zij is desondanks op de verweren van [eiser] inhoudelijk ingegaan in rov. 7.2, 7.3, 7.5 en 7.6 van haar arrest van 22 augustus 1996 en in rov. 3.5.1 van haar arrest van 28 oktober 1999. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van VWB begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en op ƒ 3.000,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerster 2] op nihil. Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, F.W.G.M. van Brunschot, A. Hammerstein en P. Lourens, en door de vice-president E. Korthals Altes in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2001.”

r.o. 3.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2001:AB0576
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
14 maart 2001
Datum publicatie
15 augustus 2001
Spoor
Boek 2 BW
Thema
Uitkoop
Weekoverzicht
Week 11 van 2001

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.