Hoge Raad · 26 oktober 2001
Ontvanger: aansprakelijkheid (feitelijk) bestuurders voor wegsluizen gelden binnen concern
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een belastingontvanger stelt een president-commissaris en een adjunct-directeur van een vastgoedconcern persoonlijk aansprakelijk voor onbetaalde omzetbelasting van de vennootschappen, mede wegens onrechtmatig overboeken van gelden binnen het concern. De Hoge Raad bevestigt dat bij onbehoorlijk bestuur elke vennootschap afzonderlijk moet worden beoordeeld en dat het concernbelang niet doorslaggevend is. Ook kan een individuele schuldeiser een eigen vordering uit onrechtmatige daad instellen, naast een mogelijke vordering van de curator. De zaak is verwezen.
Kernoverwegingen
“In rov. 11 - 14 van zijn arrest bespreekt het Hof de vraag of de Ontvanger de bestuurders van de vennootschappen aansprakelijk kan stellen nadat de vennootschappen een deel van de belastingschulden die uit de naheffingsaanslagen voortvloeiden, onbetaald hadden gelaten. Het Hof beantwoordt deze vraag in zoverre bevestigend dat de Ontvanger niet zijn rechten heeft verwerkt. Het heeft evenwel geoordeeld dat de door de Ontvanger gestelde feiten - het wegsluizen van gelden, dat wil zeggen het intern overboeken van gelden van de ene vennootschap naar een andere vennootschap binnen het concern en het wijzigen van concernschema's - niet als kennelijk onbehoorlijk bestuur kunnen worden aangemerkt. Het Hof heeft hieraan ten grondslag gelegd dat niet op goede grond kan worden aangenomen dat geen redelijk denkend bestuur onder dezelfde omstandigheden tot een dergelijke praktijk komt. De ervaring leert, aldus het Hof, dat het bestuur van een concern als dat van Juno alles eraan zal doen om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de eventuele wensen van haar bank of banken en voorts om de gezonde bedrijfsonderdelen zoveel mogelijk te scheiden van die onderdelen binnen het concern die niet meer levensvatbaar zijn teneinde de gezonde bedrijfsonderdelen zoveel mogelijk te behouden (rov. 14). Aldus overwegende heeft het Hof, dat op zichzelf de juiste maatstaf heeft vooropgesteld, zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Al aangenomen dat het Hof met deze overweging niet alleen heeft beschreven […]”
r.o. 4.6
“Onderdeel 1.3 van het middel in het principale beroep betoogt in de eerste plaats dat betwist is dat van "wegsluizen" van gelden sprake is geweest. Voor zover het onderdeel hierbij ervan uitgaat dat met het wegsluizen van gelden iets meer of anders is bedoeld dan het overboeken van gelden tussen de vennootschappen, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft overwogen dat de Ontvanger de overboekingen heeft gestaafd met diverse overzichten (rov. 18), en dat [eiser 1] en [eiser 2] de overboekingen, die zijn afgeleid uit de administratie van de vennootschappen, niet wezenlijk hebben bestreden. Het Hof heeft die overboekingen, gelet op de omstandigheden van het geval, onrechtmatig geacht. Voor zover het onderdeel bedoelt te betogen dat het Hof zijn vaststelling dat de overboekingen hebben plaatsgehad, onvoldoende heeft gemotiveerd, faalt het derhalve. Voor zover het onderdeel inhoudt dat de overboekingen niet onrechtmatig zijn, omdat daaraan normale zakelijke transacties ten grondslag liggen, is het eveneens tevergeefs voorgesteld. Hetgeen het Hof in rov. 20 heeft overwogen met betrekking tot de omstandigheden die het oordeel dragen dat de overboekingen onrechtmatig zijn, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en is noch onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. Ook de onderdelen 1.4, 1.5 en 1.8, die zich eveneens richten tegen de motivering die het Hof aan zijn onrechtmatigheidsoordeel ten grondslag heeft gelegd, stuiten hierop af. Ten aanzien van onderdeel 1.5 […]”
r.o. 5.3
“Onderdeel 2.1 houdt in dat de Ontvanger had moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de handelwijze van [eiser 1] en/of [eiser 2] juist tegenover de Ontvanger onrechtmatig is. Deze klacht moet worden gezien tegen de achtergrond van het betoog in onderdeel 2.2, dat kort gezegd inhoudt dat, zo geen sprake zou zijn van een specifieke onrechtmatigheid jegens de Ontvanger maar van onrechtmatigheid jegens alle crediteuren, de vordering van de Ontvanger een, op onrechtmatige daad of art. 2:138 resp. 2:248 BW gebaseerde, tegen de bestuurders van de betrokken vennootschappen gerichte, vordering van de curator in de faillissementen van die vennootschappen zou doorkruisen. Dit onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu in feitelijke aanleg niet is vastgesteld en ook niet is aangevoerd dat de curator een dergelijke vordering heeft ingesteld, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet het geval is geweest. De omstandigheid dat de curator wellicht een vordering tegen de bestuurders op grond van een, jegens alle crediteuren van een vennootschap onrechtmatige handel- wijze zal kunnen instellen, noopt niet zonder meer tot de slotsom dat een dergelijke vordering niet toekomt aan een individuele schuldeiser, zoals hier de Ontvanger. Ook onderdeel 2.1 faalt derhalve, evenals onderdeel 2.3, aangezien een rechtsoordeel in cassatie niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden. 5.8 In rov. 16 van zijn arrest heeft het Hof, in cassatie terecht niet […]”
r.o. 5.7