Hoge Raad · 19 oktober 2001
SkyGate
Reikwijdte onmiddellijke voorzieningen OK bij impasse en financieringsbehoefte (artikel 2:349a BW)
- Enquêterecht
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure had de OK onmiddellijke voorzieningen getroffen bij een impasse tussen aandeelhouders over de financiering van een dochtervennootschap. De Hoge Raad oordeelt dat de OK ook voorzieningen mag treffen die tijdelijk inbreuk maken op de rechtsverhoudingen en die onomkeerbare gevolgen kunnen hebben, mits de voorziening naar haar aard voorlopig is en de belangen billijk zijn afgewogen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“De Ondernemingskamer heeft haar hiervoor in 3.3 aan het slot onder (e) weergegeven oordeel nader gemotiveerd door te overwegen dat het in de gegeven omstandigheden aannemelijk is dat het achterwege blijven van het door het bestuur van SkyGate Holding B.V. voorgestelde besluit, surséance van betaling en/of faillissement van SkyGate B.V. tot gevolg heeft en aldus de belangen van de vennootschap ernstig zou - kunnen - schaden. Voorts heeft de Ondernemingskamer overwogen dat de stelling van FTS dat de zeggenschapsverhoudingen binnen SkyGate Holding B.V. - althans de SkyGategroep - kunnen wijzigen, haar niet kan baten waar uitvoering van het bestreden besluit niet ertoe leidt of behoeft te leiden dat FTS, als zij alsnog in de financiering zou participeren, als onmiddellijk aandeelhoudster in SkyGate B.V. in een aan de onderscheiden andere aandeelhouders ondergeschikte positie komt te verkeren. 3.6. Met haar hiervóór in 3.5 weergegeven overwegingen die moeten worden gelezen in het licht van de overige door haar vastgestelde omstandigheden, heeft de Ondernemingskamer tot uitdrukking gebracht dat zij onder ogen heeft gezien dat het bij de beoordeling van de aan haar voorgelegde verzoeken op de voet van het tweede lid van art. 2:349a BW, gaat om de vraag of, in dit geval, in verband met de toestand van de rechtspersoon een onmiddellijke voorziening is vereist en dat het treffen van een zodanige voorziening slechts geldt voor de duur van het geding. De urgentie van de onderhavige […]”
r.o. 3.5
“Met haar hiervóór in 3.5 weergegeven overwegingen die moeten worden gelezen in het licht van de overige door haar vastgestelde omstandigheden, heeft de Ondernemingskamer tot uitdrukking gebracht dat zij onder ogen heeft gezien dat het bij de beoordeling van de aan haar voorgelegde verzoeken op de voet van het tweede lid van art. 2:349a BW, gaat om de vraag of, in dit geval, in verband met de toestand van de rechtspersoon een onmiddellijke voorziening is vereist en dat het treffen van een zodanige voorziening slechts geldt voor de duur van het geding. De urgentie van de onderhavige financiering en de impasse waarin de betrokken vennootschap wat de besluitvorming betreft verkeerde, een en ander zoals door de Ondernemingskamer nader aangeduid als hiervóór in 3.2 is vermeld, vormen een voldoende grond voor het treffen van een voorziening als de onderhavige. Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat de Ondernemingskamer de vrijheid heeft zodanige voorlopige voorzieningen te treffen als zij in verband met de toestand van de rechtspersoon noodzakelijk acht, ook indien daarbij tijdelijk inbreuk wordt gemaakt op de geldende rechtsverhoudingen binnen de vennootschap, en dat aan het treffen van voorlopige voorzieningen niet zonder meer in de weg behoeft te staan dat deze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, mits de voorziening naar haar aard een voorlopige is en bij het treffen van een zodanige voorziening voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft […]”
r.o. 3.6