← Week 37

Hoge Raad · 13 september 2002

Enquête: wanbeleid, vernietiging décharge en kostenverhaal op commissaris

  • Enquêterecht
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Na een enquête stelt de OK wanbeleid vast bij een transactie waarbij een eigen belang van de president-commissaris speelde. Zij vernietigt het déchargebesluit en laat de onderzoekskosten verhalen op de verantwoordelijke commissarissen en bestuurders. De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen: de oordelen over het belang van de vennootschap, de vernietiging van de décharge en de toepassing van artikel 2:354 BW blijven in stand.

Kernoverwegingen

“In het licht hiervan valt, naar de Ondernemingskamer klaarblijkelijk heeft geoordeeld, zonder verdere, ontbrekende, toelichting niet in te zien dat de vennootschap door deze acquisitie in staat zou worden gesteld bij een bank de nodige financiering "ten behoeve van de verdere uitbouw van haar nieuwe dochtervennootschappen" aan te trekken. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Daarop stuit onderdeel 1.1 af. 3.2.4 Onderdeel 1.2 is gericht tegen een overweging ten overvloede en kan bij gebrek aan belang onbesproken blijven. 3.3.1 In rov. 3.16 van haar beschikking heeft de Ondernemingskamer vooropgesteld dat het niet in acht nemen door de vennootschap van elementaire beginselen van zorgvuldigheid in het kader van de transactie haar des te zwaarder moet worden aangerekend, nu verschillende bij de transactie betrokken personen daarbij belangen hadden die niet parallel liepen aan de belangen van de vennootschap. Wat [verzoeker] betreft wordt, gelet op het verslag, daarbij aangetekend dat hij president-commissaris van de vennootschap was en "via zijn persoonlijke houdstermaatschappij aandeelhouder van BTG [was] geweest" en in zoverre een eigen belang had bij het welslagen van de transactie dat "zijn persoonlijke houdstervennootschap onder omstandigheden door [belanghebbende D + K] hoofdelijk aansprakelijk kon worden gehouden voor de aflossing van NLG 4 miljoen waartoe de koopsters van de aandelen [betrokkene 1] zich jegens [belanghebbende D + K] […]”

r.o. 3.2.3

“In rov. 3.16 van haar beschikking heeft de Ondernemingskamer vooropgesteld dat het niet in acht nemen door de vennootschap van elementaire beginselen van zorgvuldigheid in het kader van de transactie haar des te zwaarder moet worden aangerekend, nu verschillende bij de transactie betrokken personen daarbij belangen hadden die niet parallel liepen aan de belangen van de vennootschap. Wat [verzoeker] betreft wordt, gelet op het verslag, daarbij aangetekend dat hij president-commissaris van de vennootschap was en "via zijn persoonlijke houdstermaatschappij aandeelhouder van BTG [was] geweest" en in zoverre een eigen belang had bij het welslagen van de transactie dat "zijn persoonlijke houdstervennootschap onder omstandigheden door [belanghebbende D + K] hoofdelijk aansprakelijk kon worden gehouden voor de aflossing van NLG 4 miljoen waartoe de koopsters van de aandelen [betrokkene 1] zich jegens [belanghebbende D + K] hadden verplicht". De Ondernemingskamer verwijst hierbij naar hetgeen zij eerder in rov. 2.4 heeft overwogen. Voor zover hier van belang luidt deze overweging als volgt: "Op 11 april 1997 heeft [belanghebbende D + K] alle aandelen in [betrokkene 1] verkocht aan (de persoonlijke houdstervennootschappen van) [belanghebbende F + N], [verzoeker] en [betrokkene 2]. De koopprijs bedroeg NLG 1,-. In de koopovereenkomst is opgenomen dat de kopers zorg zullen dragen voor aflossing vóór 1 mei 1997 van een schuld van [betrokkene 1] aan [belanghebbende D + K] ter grootte van […]”

r.o. 3.3.1

“Ook voor het overige faalt het onderdeel. De Ondernemingskamer heeft haar oordeel dat het bedoelde besluit niet op goede gronden is genomen toereikend gemotiveerd en was niet gehouden al hetgeen [verzoeker] daartegen heeft aangevoerd, afzonderlijk te bespreken. De in het middel bedoelde stelling van [verzoeker] vindt voldoende weerlegging in hetgeen de Ondernemingskamer met betrekking tot het door haar geconstateerde wanbeleid heeft overwogen. 3.5 Onderdeel 4 keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.20 waarin de Ondernemingskamer heeft overwogen dat zij naar aanleiding van het verzoek van de vennootschap de kosten van het onderzoek te mogen verhalen op [verzoeker] c.s. dient "te onderzoeken of uit het verslag blijkt dat deze personen voor het onjuiste beleid dan wel de onbevredigende gang van zaken verantwoordelijk zijn". Volgens het onderdeel heeft de Ondernemingskamer aldus miskend dat zij zelf dient vast te stellen of sprake is geweest van verantwoordelijkheid voor onjuist beleid als bedoeld in art. 2:354 BW en dat zij niet gebonden is aan het oordeel van de onderzoeker dienaangaande. Het onderdeel kan echter bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De desbetreffende overweging kan immers niet anders worden begrepen dan als een verwijzing naar de in art. 2:354 BW neergelegde maatstaf aan de hand waarvan de Ondernemingskamer zich vervolgens een eigen oordeel heeft gevormd. 3.6.1 Voor zover onderdeel 5, dat is gericht tegen rov. 3.21 […]”

r.o. 3.4.3

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2002:AE7940
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
13 september 2002
Datum publicatie
4 oktober 2002
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:354 BW, 2:355 BW, 2:356 BW
Thema
Enquêterecht, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Aangesproken
bestuurder
Weekoverzicht
Week 37 van 2002

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.