Hoge Raad · 4 oktober 2002
Voorziening indexering in jaarrekening pensioenstichting; beroep deelnemersraad bij OK
- Jaarrekening
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een deelnemersraad van een pensioenstichting kwam bij de OK op tegen het besluit van het fondsbestuur om in de jaarrekening geen voorziening voor indexeringsverplichtingen op te nemen. De OK oordeelde, met artikel 2:374 BW als maatstaf, dat een voorziening moest worden opgenomen en gelastte het bestuur die te treffen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep: ook de weigering een ongevraagd advies op te volgen is een besluit waartegen beroep openstaat, en de OK bleef binnen haar bevoegdheid.
Kernoverwegingen
“Het middel ziet eraan voorbij dat tijdens de behandeling van genoemd wetsontwerp in de Tweede Kamer door het lid Schimmel een amendement is ingediend op het voorgestelde tweede lid van art. 6c. Met dit amendement (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 674, nr. 9) werd beoogd ook beroep mogelijk te maken tegen besluiten betreffende aangelegenheden, bedoeld in de eerste zin van artikel 6b lid 1. Naar aanleiding van het amendement betoogde het lid Harrewijn (Handelingen II, blz. 47-3476) onder meer het volgende: "Het lijkt mij gewoon een correcte aanvulling om beroep mogelijk te maken bij zaken waarin advies vragen niet dwingend is voorgeschreven, maar ook bij zaken waarover men op eigen initiatief advies gegeven heeft en waarover een besluit is genomen door het bestuur. Dit is ook in de geest van wat hiermee in de wet bedoeld is." De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 674, nr. 6, blz. 4) had vastgehouden aan het in de memorie van toelichting ingenomen standpunt dat geen beroep kon worden ingesteld tegen een beslissing van een fonds om, na een door de deelnemersraad eigener beweging gegeven advies, geen besluit te nemen, verzette zich tegen aanvaarding van het amendement. "Het beroep over ongevraagde adviezen is in het wetsvoorstel uitgesloten om te voorkomen dat de deelnemersraad het bestuur gaat dwingen een besluit over iets te nemen, terwijl het bestuur dat niet of nog niet van plan […]”
r.o. 3.3.2
“De Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat uit de door de rechtbank te Rotterdam in de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangespannen procedure gegeven verklaring voor recht de verplichting van het pensioenfonds volgt om op de ingegane pensioenen en premievrije aanspraken van de Essochem-deelnemers over de jaren na 1985 jaarlijks een indexatie overeenkomstig het prijsindexcijfer "afgeleide C.P.I. alle huishoudens" toe te passen (rov. 3.9). Zij heeft voorts, met SPK ervan uitgaande dat de jaarrekening van een pensioenfonds aan normen behoort te voldoen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van Titel 9 van Boek 2 BW, geoordeeld dat het daarbij ging om een onvoorwaardelijke "verplichting (...) waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schatten" als bedoeld in art. 2:374 lid 1, onder a, BW (rov. 3.8 en 3.10), althans dat sprake was van "op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen (...) waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten" als bedoeld in art. 2:374 lid 1, onder b, BW (rov. 3.11). Aan deze, door het middel niet bestreden, oordelen heeft de Ondernemingskamer de, evenmin door het middel bestreden, gevolgtrekking verbonden dat ter zake een voorziening in de jaarrekening opgenomen diende te worden (rov. 3.10 en 3.11) en dat het besluit dit na te laten dus kennelijk onredelijk is (rov. 3.14). Door daarvan uitgaande vervolgens het bestuur van SPK te gelasten een voorziening te treffen die, […]”
r.o. 3.4.3
“De ten overvloede gegeven rov. 3.11 kan het oordeel van de Ondernemingskamer, dat het bestuur van SPK in verband met de door de rechtbank te Rotterdam gegeven verklaring voor recht verplicht is een voorziening als hiervoor vermeld in de jaarrekening op te nemen, zelfstandig dragen. Het middel stelt wel dat de Ondernemingskamer in deze overweging een onjuiste uitleg aan die verklaring voor recht heeft gegeven, maar maakt niet duidelijk waarom dat het geval zou zijn, zodat het in zoverre niet voldoet aan de op grond van art. 426a, lid 2 Rv. aan een cassatiemiddel te stellen eisen en dus tevergeefs is voorgesteld. Hieruit volgt dat het middel voor het overige wegens gemis aan belang niet tot cassatie kan leiden. 4. Het vorenstaande leidt tot verwerping van het beroep. SPK zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in cassatie worden veroordeeld. De Deelnemersraad heeft verzocht SPK op de voet van art. 6c lid 10 PSW te veroordelen tot betaling van alle kosten die de raad voor het voeren van de procedure in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken. In verband daarmee zal de zaak naar de rol worden verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de omvang van die kosten alsmede over de vraag of SPK vooraf van de te maken kosten in kennis is gesteld. 5. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; verwijst de zaak naar de rol van 25 oktober 2002 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de […]”
r.o. 3.5.3