Hoge Raad · 4 oktober 2002
OK-voorzieningen: verlenging tijdelijke commissaris, verzekering en structuurbevoegdheden
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêtezaak na vastgesteld wanbeleid had de OK de benoeming van een tijdelijke commissaris verlengd en bepaald dat deze zich op kosten van de vennootschap mocht verzekeren tegen aansprakelijkheid. De Hoge Raad vernietigt alleen de toekenning van structuurbevoegdheden, omdat die in strijd is met zijn eerdere beschikking. De verlenging en de regeling van de verzekering op grond van artikel 2:357 lid 2 BW blijven in stand.
Kernoverwegingen
“Het onderdeel klaagt voorts terecht dat de toekenning van de bevoegdheden als bedoeld in afdeling 6, titel 5, van boek 2 BW in een geval als het onderhavige in strijd is met het recht, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn beschikking van 1 maart 2002. 3.2.4 Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven en dat een bespreking van de overige klachten van het onderdeel overbodig is. Ten overvloede wordt door de Hoge Raad hieraan toegevoegd dat de Ondernemingskamer weliswaar bevoegd is andere voorzieningen te treffen dan die waarom is gevraagd, doch zulks in het algemeen slechts zal mogen doen indien daartoe voldoende gronden bestaan, waarvan in de motivering melding gemaakt dient te worden. 3.3 Het tweede onderdeel is gericht tegen rov. 3.5 waarin de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat de commissaris zich op kosten van de vennootschap kan (bedoeld zal zijn: mag) verzekeren tegen de - gevolgen van - eventuele aansprakelijkheid waarmee hij als commissaris in en/of in verband met de uitoefening van zijn functie kan worden of wordt geconfronteerd, en dat de kosten in het eventuele geval dat hij aansprakelijk zou worden gesteld ten laste van de vennootschap komen. Daarbij heeft de Ondernemingskamer overwogen dat een en ander bepaald wordt om te bewerkstelligen dat de - door de Ondernemingskamer te treffen - voorzieningen het beoogde effect zullen hebben en meer in het bijzonder dat de commissaris zijn werkzaamheden onbelemmerd zal […]”
r.o. 3.2.3
“Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven en dat een bespreking van de overige klachten van het onderdeel overbodig is. Ten overvloede wordt door de Hoge Raad hieraan toegevoegd dat de Ondernemingskamer weliswaar bevoegd is andere voorzieningen te treffen dan die waarom is gevraagd, doch zulks in het algemeen slechts zal mogen doen indien daartoe voldoende gronden bestaan, waarvan in de motivering melding gemaakt dient te worden. 3.3 Het tweede onderdeel is gericht tegen rov. 3.5 waarin de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat de commissaris zich op kosten van de vennootschap kan (bedoeld zal zijn: mag) verzekeren tegen de - gevolgen van - eventuele aansprakelijkheid waarmee hij als commissaris in en/of in verband met de uitoefening van zijn functie kan worden of wordt geconfronteerd, en dat de kosten in het eventuele geval dat hij aansprakelijk zou worden gesteld ten laste van de vennootschap komen. Daarbij heeft de Ondernemingskamer overwogen dat een en ander bepaald wordt om te bewerkstelligen dat de - door de Ondernemingskamer te treffen - voorzieningen het beoogde effect zullen hebben en meer in het bijzonder dat de commissaris zijn werkzaamheden onbelemmerd zal kunnen uitoefenen. Aldus heeft de Ondernemingskamer klaarblijkelijk op de voet van art. 2:357 lid 2 BW de gevolgen van de door haar getroffen voorziening geregeld. Het betreft hier immers een gevolg van de benoeming van een commissaris in dier voege dat de […]”
r.o. 3.2.4
“Het tweede onderdeel is gericht tegen rov. 3.5 waarin de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat de commissaris zich op kosten van de vennootschap kan (bedoeld zal zijn: mag) verzekeren tegen de - gevolgen van - eventuele aansprakelijkheid waarmee hij als commissaris in en/of in verband met de uitoefening van zijn functie kan worden of wordt geconfronteerd, en dat de kosten in het eventuele geval dat hij aansprakelijk zou worden gesteld ten laste van de vennootschap komen. Daarbij heeft de Ondernemingskamer overwogen dat een en ander bepaald wordt om te bewerkstelligen dat de - door de Ondernemingskamer te treffen - voorzieningen het beoogde effect zullen hebben en meer in het bijzonder dat de commissaris zijn werkzaamheden onbelemmerd zal kunnen uitoefenen. Aldus heeft de Ondernemingskamer klaarblijkelijk op de voet van art. 2:357 lid 2 BW de gevolgen van de door haar getroffen voorziening geregeld. Het betreft hier immers een gevolg van de benoeming van een commissaris in dier voege dat de Ondernemingskamer het nodig heeft geoordeeld dat deze commissaris om adequaat te kunnen optreden in voldoende mate verzekerd dient te worden tegen de gevolgen van een eventuele aansprakelijkstelling en gevrijwaard dient te worden voor kosten die redelijkerwijze gemoeid zijn met het voeren van verweer te dier zake. Tot de regeling van dit een en ander was de Ondernemingskamer op grond van voormelde bepaling bevoegd, zodat de desbetreffende rechtsklacht van het onderdeel faalt. Uit de […]”
r.o. 3.3