Hoge Raad · 6 december 2002
Goedèl/Arts q.q. (Internationale Boomen Heestercentrum)
Accountantsverklaring inbreng in natura bij oprichting bv; goodwill buiten beschrijving
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
De curator in het faillissement van een bv vordert schadevergoeding van de accountant die bij de oprichting een verklaring afgaf over de waarde van een inbreng in natura, terwijl het ingebrachte onroerend goed veel minder waard bleek. De Hoge Raad oordeelt dat bij de beoordeling van de verklaring alleen de in de beschrijving genoemde goederen meetellen en dat niet-beschreven goodwill buiten beschouwing blijft. Het cassatieberoep van de accountant wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“Volgens artikel 2:204a lid 2 BW moet de accountant zijn verklaring afleggen over de volgens lid 1 door de oprichters gemaakte "beschrijving van hetgeen wordt ingebracht". In het wetsvoorstel voor de overeenkomstige bepaling met betrekking tot de naamloze vennootschap (toen art. 2: 94) stond hier aanvankelijk "beschrijving van de in te brengen goederen". Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.3 vermelde wetsgeschiedenis blijkt dat met de uiteindelijke tekst is bedoeld tot uitdrukking te brengen dat ook waarden als goodwill en knowhow kunnen worden ingebracht; kennelijk is met deze wijziging van de redactie overigens geen verandering in betekenis bedoeld. De strekking van de bepalingen omtrent de inbreng in natura en de accountantsverklaring is, naar volgt uit hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4 en 2.5 is vermeld over de wetsgeschiedenis van de overeenkomstige bepaling voor de naamloze vennootschap (thans art. 2: 94a) en de Europese Richtlijn waaraan die bepaling is ontleend, het bieden van een waarborg dat de waarde van de inbreng in natura niet wordt "opgeblazen", dat wil zeggen een waarborg voor de juistheid van de door de oprichters aan die inbreng toegekende waarde, dit met het oog op de bescherming van zowel aandeelhouders als derden. Weliswaar is de accountant vrij een andere waarderingsmethode - mits in het maatschappelijk verkeer aanvaardbaar - te kiezen dan de oprichters in de beschrijving, maar het zou in strijd zijn met de […]”
r.o. 3.3.3
“Bij zijn bestreden oordeel heeft het Hof - evenals de Rechtbank bij haar oordeel - klaarblijkelijk tot uitgangspunt genomen dat in de beschrijving die in dit geval is opgemaakt, geen goodwill wordt genoemd. Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat naar het oordeel van het Hof de verklaring van [eiser] de hiervoor in 3.2 bedoelde onderneming in haar geheel betrof en niet slechts de in de beschrijving vermelde activa van die onderneming, berust het dan ook op onjuiste lezing van het arrest van het Hof en mist het derhalve feitelijke grondslag. Ook voor het overige kan het onderdeel niet tot cassatie leiden. Bedoeld uitgangspunt van het Hof, waarvan de feitelijke juistheid in cassatie overigens niet wordt bestreden, is niet onbegrijpelijk, gezien de inhoud van de verklaring en de beschrijving. Overeenkomstig de vermelding in de akte van oprichting van de vennootschap dat de Stichting inbracht "alle activa, zoals deze zijn vermeld op de aan deze akte aangehechte en door de comparanten ondertekende beschrijving (...)", verwijst de beschrijving naar de bijgevoegde balans van de vennootschap per 30 juni 1988 en houdt zij in dat "de onderscheidene activa en passiva" naar die balans worden opgenomen volgens de in de beschrijving vermelde waarderingsmethoden. De verklaring van [eiser] heeft blijkens haar in- houd - overeenkomstig art. 2:204a lid 2 - betrekking op de waarde van hetgeen volgens deze beschrijving wordt ingebracht, dat wil zeggen niet op de waarde van de […]”
r.o. 3.3.4
“Naar het oordeel van Hof en Rechtbank is door de onjuiste verklaring van [eiser] schade veroorzaakt die in hoogte samenvalt met het verschil tussen de in die verklaring aan de onroerende zaken toegekende waarde en de waarde die daaraan had mogen worden toegekend. Volgens onderdeel 4 geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de causaliteit of is het ontoereikend gemotiveerd. Het onderdeel betoogt dat had moeten worden onderzocht wat zou zijn gebeurd als de onroerende zaken bij de inbreng juist zouden zijn gewaardeerd, en wijst op de mogelijkheid dat de oprichters zich zouden hebben verplicht het tekort ten opzichte van de stortingsplicht dat dan zou zijn gebleken, op andere wijze aan te vullen, of dat zij de stortingsplicht zouden hebben verlaagd. Dat betoog miskent echter dat het Hof, mede gelet op de strekking van de wettelijke regeling met betrekking tot de storting op aandelen, had uit te gaan van de stortingsplicht zoals die was overeengekomen en de wijze waarop daaraan volgens die overeenkomst moest worden voldaan. In aanmerking genomen dat het bestreden oordeel mede berust op de door het Hof van de Rechtbank overgenomen overweging die erop neerkomt dat [eiser] niet had aangetoond dat andere onderdelen van de inbreng het tekort ten opzichte van de stortingsplicht konden goedmaken, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Mede gelet op hetgeen het Hof - zoals volgt uit het hiervoor in 3.4 overwogene: in cassatie […]”
r.o. 3.6