Hoge Raad · 31 januari 2003
Nietigheid besluiten coöperatieve vereniging wegens onbevoegd bijeengeroepen vergadering; doorhaling handelsregister
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een coöperatieve woonvereniging vroeg doorhaling van de handelsregisterinschrijving van een tijdelijk bestuur. Dat bestuur was benoemd in een vergadering waarvoor de statutaire oproeping niet was gedaan. De rechtbank oordeelde dat de besluiten nietig waren. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, omdat het oordeel dat de vergadering niet bevoegd was bijeengeroepen de nietigheid zelfstandig draagt. De klacht over vernietigbaarheid op grond van artikel 2:15 BW mist daarom belang.
Kernoverwegingen
“Onderdeel 1 richt zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen hetgeen de Rechtbank in rov. 4.4 van haar tussenbeschikking en daarop voortbouwend in haar eindbeschikking heeft overwogen, te weten dat niet-inachtneming van de in art. 47 van de statuten van De Middelhorst genoemde oproepingstermijn voor de algemene vergadering van 17 juni 1996 meebrengt dat de in die vergadering genomen besluiten nietig zijn. De sanctie op niet-naleving van een dergelijk procedureel voorschrift is, aldus het middel, op grond van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a, BW vernietigbaarheid van het besluit. In rov. 4.3 van haar tussenbeschikking heeft de Rechtbank als stelling van appellanten - De Middelhorst c.s. - vermeld dat de oproeping van 6 juni 1996 vals is, althans niet als een oproeping overeenkomstig de statuten kan worden beschouwd, nu deze niet van [betrokkene 2] is uitgegaan, hetgeen door geïntimeerden wordt betwist. De in deze rechtsoverweging genoemde stukken - een kopie van een convocatie van 6 juni 1996 met in de kop de naam van [betrokkene 2], maar zonder diens handtekening, alsmede een brief van [betrokkene 2] van 7 juni 1996, waarin deze te kennen geeft niet te hebben voldaan aan het verzoek van de vergadering om een oproep voor de volgende vergadering te doen uitgaan - geven de Rechtbank "een vermoeden van juistheid van de stelling van appellanten". Na te hebben overwogen dat noch is gesteld noch is gebleken dat andere leden overeenkomstig art. 45 van de statuten het […]”
r.o. 3.3
“Hetgeen de Rechtbank heeft overwogen moet aldus worden verstaan dat vaststaat dat anderen dan [betrokkene 2] niet het initiatief hebben genomen tot het bijeenroepen van de vergadering van 17 juni 1996, dat zij voors- hands uitgaat van de juistheid van de stelling van De Middelhorst c.s. dat de oproep voor deze vergadering ook niet van [betrokkene 2] is uitgegaan, en dat [verzoeker] c.s. niet zijn geslaagd in het bewijs dat [betrokkene 2] de convocatie heeft doen uitgaan en dat hij dit tijdig heeft gedaan. Dit een en ander is in cassatie niet bestreden. Nu hierin als oordeel van de Rechtbank besloten ligt dat de vergadering van 17 juni 1996 niet bevoegd is bijeengeroepen, en deze grond de slotsom dat de in die vergadering genomen besluiten nietig zijn, zelfstandig kan dragen, kan onderdeel 1 bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Onderdeel 2 bouwt voort op onderdeel 1 en moet het lot daarvan delen. 3.5 Het incidenteel beroep behoeft geen behandeling, nu de voorwaarde waaronder het is ingesteld, niet is vervuld. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het principaal beroep; veroordeelt [verzoeker] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van De Middelhorst c.s. begroot op € 252,69 aan verschotten en € 1.135,-- voor salaris. Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.G. Pos en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 31 januari […]”
r.o. 3.4