← Week 10

Hoge Raad · 7 maart 2003

Winstverdeling vof bij uitsluitend arbeidsinbreng: gelijke delen, artikel 7A:1670 BW

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Een gewezen vennoot van een ontbonden vof vordert uitbetaling van haar aandeel, terwijl alle vennoten uitsluitend arbeid hadden ingebracht. De Hoge Raad oordeelt dat vennoten die alleen arbeid inbrengen, behoudens andersluidend beding, gelijk delen in winst en verlies. Een gelijke verdeling kan onder omstandigheden naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Kernoverwegingen

“Onderdeel 1 van het tegen dit oordeel aangevoerde middel betoogt dat het Hof aldus van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven. Het Hof heeft immers miskend dat bij gebreke van een andersluidende overeenkomst, het aandeel van de vennoten in de winsten en verliezen van de vennootschap ingevolge art. 7A:1670 lid 1 BW evenredig is aan hetgeen zij hebben ingebracht, ook als de inbreng van alle vennoten alleen uit arbeid heeft bestaan, aldus nog steeds het onderdeel. Bij de uitleg van art. 7A:1670 BW staat voorop dat de tekst van deze bepaling wat betreft de thans aan de orde gestelde vraag aanwijzingen in verschillende richtingen bevat: lid 1 daarvan wijst in de richting die thans door het onderdeel wordt bepleit, lid 2 daarentegen biedt steun aan het door het Hof als juist aanvaarde standpunt. Aan de formulering van deze bepaling, in haar geheel bezien, kan daarom geen argument worden ontleend voor de ene of de andere opvatting. Blijkens de wetsgeschiedenis, zoals vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.9, is het geval dat alle vennoten uitsluitend hun arbeid inbrengen, niet specifiek onder ogen gezien. Wél heeft de regering met die bepaling een "vaste regel" willen geven waarmee taxatie, als "ware bron van twistgedingen", werd vermeden. De oudere literatuur, zoals weergegeven in de conclusie onder 4.11-4.17, heeft hieruit afgeleid dat, behoudens andersluidend beding, de vennoten die allen slechts hun arbeid hebben ingebracht, in gelijke mate delen in […]”

r.o. 3.5

“In het licht van het vorenstaande moet art. 7A:1670 BW aldus moet worden verstaan dat de vennoten van een vennootschap onder firma die uitsluitend hun arbeid in de vennootschap hebben ingebracht, gelijk delen in de winst en het verlies van die vennootschap, zulks behoudens - uitdrukkelijk of stilzwijgend - andersluidend beding. Daarbij verdient aantekening dat een zodanige verdeling onder - door de gewezen vennoot die zich daarop beroept, te stellen en bij voldoende gemotiveerde tegenspraak te bewijzen - omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Het onderdeel, dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, kan dus niet tot cassatie leiden. 3.7 Onderdeel 2 leest de bestreden overwegingen van het Hof aldus, dat daaraan het door onderdeel 1 bepleite uitgangspunt ten grondslag ligt dat de vennoten na opzegging van de vennootschap een aandeel in de winsten en verliezen van die vennootschap hebben dat evenredig is aan hun inbreng, maar dat in het concrete geval naar 's Hofs oordeel onvoldoende feiten zijn gesteld om ieders inbreng verschillend te waarderen. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden reeds omdat het feitelijke grondslag mist, nu het Hof in rov. 6 van zijn bestreden tussenarrest klaarblijkelijk van de hierboven juist bevonden uitleg van 7A:1670 BW is uitgegaan. 3.8 Onderdeel 3 keert zich tegen 's Hofs overweging dat de vennoten in gelijke mate ondernemersrisico hebben gelopen. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden […]”

r.o. 3.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2003:AF2167
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
7 maart 2003
Datum publicatie
7 maart 2003
Spoor
Personenvennootschappen
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 10 van 2003

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.