Hoge Raad · 11 juli 2003
Bas-C BV
Volstortingsplicht oprichter-bestuurder en aansprakelijkheid ex artikel 2:180 lid 2 BW
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
De curator in het faillissement van een bv vordert van de oprichter, enig aandeelhouder en bestuurder volstorting van de aandelen en aansprakelijkheid op grond van artikel 2:180 lid 2 BW. De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van rechtsgeldige volstorting als het gestorte bedrag eerst aan het vermogen van de vennootschap is onttrokken of slechts een vordering op de oprichter is ontstaan. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen.
Kernoverwegingen
“Bij de beoordeling van het hiertegen aangevoerde middel wordt het volgende vooropgesteld. Ten eerste heeft [verweerder] in de akte van oprichting verklaard dat hij de geplaatste aandelen zou volstorten in geld. Uit art. 2:178 lid 2 BW volgt dat deze storting uiterlijk bij de oprichting van Bas-C B.V. moest zijn geschied. Ten tweede strekt de regeling van art. 2:203a lid 1, aanhef en onder b, BW, waarin de storting op aandelen in geld is uitgewerkt, ertoe het kapitaal van de op te richten vennootschap te beschermen ten behoeve van mogelijke schuldeisers van die vennootschap. Deze bepaling waarborgt dat aan de op te richten vennootschap bij of op enig moment (maar niet eerder dan vijf maanden) voor haar oprichting daadwerkelijk het kapitaal ter beschikking komt te staan dat op de bij de oprichting te plaatsen aandelen dient te worden gestort (HR 24 maart 2000, nr. C98/267, NJ 2000, 354). 3.5 In het onderhavige geval staat vast dat, zoals hiervoor in 3.1(iv) is vermeld, het positieve saldo van de bankrekening van Bas-C B.V. i.o. is ontstaan doordat Océ Nederland B.V. daarop een bedrag van ƒ 61.300,05 heeft overgemaakt, welk bedrag Bas-C B.V. i.o. heeft ontvangen in verband met door haar verrichte werkzaamheden. Anders dan [verweerder] in de hiervoor in 3.1(iii) vermelde bankverklaring heeft doen opnemen, volgt hieruit dat het bedoelde banksaldo niet is ontstaan "ten titel van storting". Wat betreft de vervolgens door [verweerder] gevolgde handelwijze kan niet van volstorting […]”
r.o. 3.4
“In het onderhavige geval staat vast dat, zoals hiervoor in 3.1(iv) is vermeld, het positieve saldo van de bankrekening van Bas-C B.V. i.o. is ontstaan doordat Océ Nederland B.V. daarop een bedrag van ƒ 61.300,05 heeft overgemaakt, welk bedrag Bas-C B.V. i.o. heeft ontvangen in verband met door haar verrichte werkzaamheden. Anders dan [verweerder] in de hiervoor in 3.1(iii) vermelde bankverklaring heeft doen opnemen, volgt hieruit dat het bedoelde banksaldo niet is ontstaan "ten titel van storting". Wat betreft de vervolgens door [verweerder] gevolgde handelwijze kan niet van volstorting van de aandelen worden gesproken indien het bedrag dat daarvoor door de oprichter wordt bestemd, niet door of namens deze daadwerkelijk aan de B.V. ter beschikking is gesteld. [verweerder] heeft niet aan deze voorwaarde voldaan. Aangezien de tussen Bas-C B.V. i.o. en Océ Nederland B.V. gesloten overeenkomst niet is uitgesloten van de hiervoor in 3.1(v) bedoelde bekrachtiging van "alle rechtshandelingen (...) die voor de oprichting der vennootschap namens de - toen nog op te richten - vennootschap zijn verricht door de oprichter(s) der vennootschap (...)", werd Bas-C B.V. immers partij bij die overeenkomst, zodat zij ook rechthebbende werd op het in verband daarmee door de wederpartij aan Bas-C B.V. i.o. overgeboekte bedrag. Deze bekrachtiging had mede tot gevolg dat daarmee kwam vast te staan dat het bedrag van ƒ 40.000,-- dat [verweerder] als stortingskapitaal had aangewezen, door hem aan […]”
r.o. 3.5
“Het vorenstaande wordt niet anders indien de stelling van [verweerder] juist zou zijn dat hij in dier voege over het saldo van de bankrekening van Bas-C B.V. i.o. heeft beschikt dat hij daaraan als oprichter een bedrag heeft onttrokken, welk bedrag hij vervolgens in privé aan Bas-C B.V. verschuldigd werd ten titel van geldleen nadat Bas-C B.V. deze onttrekkingen had bekrachtigd. Ook in dat geval staat immers vast dat [verweerder] niet het bedrag van het kapitaal daadwerkelijk vóór de oprichting aan Bas-C B.V. ter beschikking heeft gesteld, maar slechts een vordering ter hoogte van dat bedrag op zichzelf heeft doen ontstaan. Ook dit kan niet als een rechtsgeldige volstorting worden aangemerkt. 3.7 Evenmin kan op grond van de eerste onder 3.1(v) aangehaalde passage uit de desbetreffende akte worden aangenomen dat voor of bij de oprichting van Bas-C B.V. geld is gestort op de aandelen in haar kapitaal overeenkomstig het bepaalde in art. 2:203a BW. Dat is al daarom niet het geval omdat de voorwaarde ("althans indien"), die in deze akte is verbonden aan de daarin bedoelde bekrachtiging van "de onttrekkingen van bedragen aan de rekening bedoeld in artikel 203a lid 1 sub b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek", wat daarvan overigens zij, niet in vervulling is gegaan, gelet op het vorenoverwogene. 3.8 De rechtsklachten van de onderdelen 1.1 en 1.2 treffen dus doel en moeten tot vernietiging van het bestreden arrest leiden. De overige klachten van het middel behoeven geen […]”
r.o. 3.6