Hoge Raad · 6 juni 2003
Enquête: voormalig bestuurder belanghebbende, economisch certificaathouder, machtiging onderzoeker bij buitenlandse dochter
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Bij een enquêteverzoek over een vennootschap in een besluitvormingsimpasse oordeelt de Hoge Raad dat een voormalig bestuurder belanghebbende is. Ook kan een economisch rechthebbende op certificaten worden gelijkgesteld met de certificaathouder van artikel 2:346 BW. De benoeming van een tijdelijk bestuurder blijft in stand. De machtiging van de onderzoeker om bij een derde de boeken in te zien wordt vernietigd, omdat artikel 2:351 lid 2 BW die alleen op verzoek van de onderzoeker toelaat.
Kernoverwegingen
“Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 282 lid 1 niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid (vgl. HR 25 oktober 1991, rek. nr. 7932, NJ 1992, 149). Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. 3.3.3 Gelet op de zo-even vermelde maatstaf en op het doel van een enquêteprocedure, moet worden aangenomen dat de voormalige bestuurder van de rechtspersoon die volgens het daartoe ingediende verzoek onderworpen dreigt te worden aan een onderzoek naar het in het verleden mede door deze bestuurder gevoerde beleid en de gang van zaken in de rechtspersoon, als belanghebbende kan worden aangemerkt. Deze bestuurder zal immers - voor de periode die hem aangaat - voor dat beleid verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Er is geen reden om te dezer zake verschil te maken tussen de eerste fase van de enquêteprocedure waarin moet worden beoordeeld of er gegronde redenen zijn om aan een […]”
r.o. 3.3.2
“Gelet op de zo-even vermelde maatstaf en op het doel van een enquêteprocedure, moet worden aangenomen dat de voormalige bestuurder van de rechtspersoon die volgens het daartoe ingediende verzoek onderworpen dreigt te worden aan een onderzoek naar het in het verleden mede door deze bestuurder gevoerde beleid en de gang van zaken in de rechtspersoon, als belanghebbende kan worden aangemerkt. Deze bestuurder zal immers - voor de periode die hem aangaat - voor dat beleid verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Er is geen reden om te dezer zake verschil te maken tussen de eerste fase van de enquêteprocedure waarin moet worden beoordeeld of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, en de tweede fase waarin moet worden beoordeeld of van wanbeleid sprake is geweest en welke gevolgen daaraan eventueel moeten worden verbonden. Het onderdeel is dus niet gegrond. 3.4.1 Onderdeel 2 klaagt dat de Ondernemingskamer in rov. 2.6 van haar beschikking van 7 augustus 2002 ten onrechte heeft vastgesteld dat CLL (zie hiervóór in 3.1 onder vi) houdster is van alle certificaten van de aandelen in de vennootschap. Het onderdeel acht deze overweging onbegrijpelijk, omdat [verzoeker tot cassatie] dit heeft betwist en heeft aangevoerd dat Crédit Lyonnais Management Services S.A. houdster zou zijn van de certificaten. 3.4.2 Het onderdeel faalt. [verweerder in cassatie] heeft in zijn inleidend verzoekschrift gemotiveerd en onder verwijzing naar de tekst van het overgelegde Contrat […]”
r.o. 3.3.3
“Terecht wordt niet bestreden dat - naar in het oordeel van de Ondernemingskamer ligt besloten - de economisch rechthebbende op certificaten van aandelen gelijk gesteld moet worden met de certificaathouder als bedoeld in art 2:346, aanhef en onder b. Indien aan de economische certificaathouder in zijn verhouding tot de juridische certificaathouder alle bevoegdheden toekomen met betrekking tot de zeggenschap en de certificaten geheel en al voor rekening en risico van de economische certificaathouder worden gehouden, brengt de strekking van het enquêterecht mee dat de daardoor aan de kapitaalverschaffer verleende bescherming door de economische certificaathouder kan worden ingeroepen. Anders dan het onderdeel betoogt is daartoe niet noodzakelijk dat tussen de economisch rechthebbende op de certificaten en de aandeelhouder een rechtstreekse contractuele band bestaat. De Ondernemingskamer is dus niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. 3.5.3 De door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, wijzen erop dat [verweerder in cassatie] en [verzoeker tot cassatie] hebben gekozen voor een juridische constructie die ertoe leidt dat zij samen zowel de zeggenschapsrechten als het economisch belang bij de gecertificeerde aandelen hebben behouden. Het oordeel van de Ondernemingskamer dat [verzoeker tot cassatie] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, is niet onbegrijpelijk en het is, in […]”
r.o. 3.5.2