Hoge Raad · 17 oktober 2003
De Rijk q.q./Van Roy
Curator, volstorting aandelen en verjaring van de stortingsvordering
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
De curator in het faillissement van een bv vordert van een oud-aandeelhouder volstorting van diens aandelen. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 2:193 BW de curator slechts een beschikkingsbevoegdheid geeft, terwijl de vordering aan de vennootschap toekomt. Die vordering is voor verjaring vatbaar en de verjaringstermijn begint niet later te lopen vanwege het faillissement. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“Onderdeel 1.A klaagt dat het hof, voorzover het bij het door [verweerder] gedane beroep op verjaring ervan uitgaat, dat de curator met de vordering tot veroordeling van [verweerder] tot nakoming van zijn verplichting tot volstorting van zijn aandelen in M.M.D. een rechtsvordering van de besloten vennootschap uitoefent en niet een eigen rechtsvordering, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt. Het subjectieve recht waarop art. 2:193 BW ziet, is het recht op volstorting van aandelen. De bij dit recht behorende rechtsvordering komt aan de vennootschap toe. Art. 2:193 verschaft aan de curator uitsluitend een (beschikkings)bevoegdheid met betrekking tot dit recht. Voor het uitoefenen van deze bevoegdheid in rechte behoeft de curator ingevolge art. 68 lid 2 F. de toestemming van de rechter-commissaris. Dit een en ander wordt bevestigd door de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.6 vermelde geschiedenis van de totstandkoming van de art. 2:84 en 2:193 BW, waaruit blijkt dat de wetgever kennelijk niet heeft willen afwijken van de gewone regels van faillissementsrecht. 3.4 Onderdeel 1.B, dat aanvoert dat, voorzover het hof bij de beoordeling van het door [verweerder] gedane beroep op verjaring er wel van uitgaat dat de curator met de vordering tot veroordeling van [verweerder] tot nakoming van zijn verplichting tot volstorting van zijn aandelen in M.M.D. een eigen rechtsvordering uitoefent, het van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft, kan bij […]”
r.o. 3.3
“De vordering tot volstorting is een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst tot een geven, zodat in dit geval - op grond van art. 73 Ow NBW - in beginsel de vijfjarige termijn van art. 3:307 lid 1 BW van toepassing is. Deze termijn van vijf jaren is aangevangen op 1 februari 1977, de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Art. 73 en 121 Ow NBW brengen mee, dat de verjaringstermijn op het moment dat de curator volstorting eiste, was verstreken, tenzij, voorzover in cassatie van belang, de vordering niet voor verjaring vatbaar is, ofwel de verjaringstermijn op een later tijdstip dan 1 februari 1977 begon te lopen. 3.5.3 Anders dan in het onderdeel wordt aangevoerd, is de vordering tot volstorting van aandelen voor verjaring vatbaar, aangezien geen wettelijke grondslag aanwezig is die tot het oordeel kan leiden, dat hier dient te worden afgeweken van de algemene regels die - mede in verband met de rechtszekerheid - voor verjaring gelden. De subsidiaire, algemeen geformuleerde stelling van het onderdeel komt erop neer dat de verjaringstermijn van de vordering tot volstorting van aandelen ten opzichte van de curator in het faillissement van de besloten vennootschap op een later tijdstip begint te lopen dan de dag volgende op die waarop die vordering opeisbaar is geworden. Deze stelling kan, gelet op de bepaling van art. 3:307 lid 1 BW, die de belangen van de schuldenaar en de rechtszekerheid dient, in haar algemeenheid niet […]”
r.o. 3.5.2
“Anders dan in het onderdeel wordt aangevoerd, is de vordering tot volstorting van aandelen voor verjaring vatbaar, aangezien geen wettelijke grondslag aanwezig is die tot het oordeel kan leiden, dat hier dient te worden afgeweken van de algemene regels die - mede in verband met de rechtszekerheid - voor verjaring gelden. De subsidiaire, algemeen geformuleerde stelling van het onderdeel komt erop neer dat de verjaringstermijn van de vordering tot volstorting van aandelen ten opzichte van de curator in het faillissement van de besloten vennootschap op een later tijdstip begint te lopen dan de dag volgende op die waarop die vordering opeisbaar is geworden. Deze stelling kan, gelet op de bepaling van art. 3:307 lid 1 BW, die de belangen van de schuldenaar en de rechtszekerheid dient, in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard. Het onderdeel faalt derhalve. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 379,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 17 oktober 2003.”
r.o. 3.5.3