← Week 47

Hoge Raad · 21 november 2003

Bekrachtiging door opgerichte B.V. na handelen namens vennootschap in oprichting; vertegenwoordiging vof

  • Overig Boek 2
  • Personenvennootschappen
  • Boek 2 BW
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Een ondernemer vorderde van zijn bank vernietiging van kredietovereenkomsten, onder meer omdat een overeenkomst namens een vennootschap onder firma slechts door één vennoot was ondertekend. De Hoge Raad oordeelt dat de onbevoegd handelende vertegenwoordiger zelf kan worden aangesproken (artikel 7A:1681 BW) en dat bekrachtiging door de later opgerichte B.V. op grond van artikel 2:203 BW alleen mogelijk is voor handelingen namens de vennootschap in oprichting. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Kernoverwegingen

“Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van de bestreden overweging, waarin het hof slechts heeft geconstateerd dat ondanks de andersluidende formulering van de vordering ("bij gebreke van de vereiste mede-ondertekening door appellant") bedoeld is een beroep te doen op het ontbreken van ondertekening door de mede-vennoot, en kan daarom niet tot cassatie leiden. 3.5 De onderdelen 3 en 4 houden een aantal klachten in die erop neerkomen dat in verband met de hiervoor in 3.4.1 vermelde omstandigheden (i) en (ii) het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] een beroep doet op het feit dat de overeenkomst slechts door hem is ondertekend, althans dat het hof aan bedoelde omstandigheden onvoldoende aandacht heeft besteed. Deze klachten kunnen echter geen doel treffen, omdat zij eraan voorbijzien dat [eiser], als hij onbevoegd zou hebben gehandeld, zelf op grond van het bepaalde in art. 7A:1681 BW door de Bank zou kunnen worden aangesproken. Het oordeel van het hof getuigt daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting en het hof behoefde aan de voormelde omstandigheden waarop [eiser] een beroep deed, geen aandacht te besteden. 3.6.1 Het hof heeft in rov. 4.6 overwogen dat het begrijpt dat [eiser] aan zijn vordering met betrekking tot de door hem als gevolg van wanprestatie of onrechtmatig handelen van de Bank geleden schade de door het hof in zijn rov. 4.7 tot en met 4.12 besproken omstandigheden ten […]”

r.o. 3.4.2

“De onderdelen 3 en 4 houden een aantal klachten in die erop neerkomen dat in verband met de hiervoor in 3.4.1 vermelde omstandigheden (i) en (ii) het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] een beroep doet op het feit dat de overeenkomst slechts door hem is ondertekend, althans dat het hof aan bedoelde omstandigheden onvoldoende aandacht heeft besteed. Deze klachten kunnen echter geen doel treffen, omdat zij eraan voorbijzien dat [eiser], als hij onbevoegd zou hebben gehandeld, zelf op grond van het bepaalde in art. 7A:1681 BW door de Bank zou kunnen worden aangesproken. Het oordeel van het hof getuigt daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting en het hof behoefde aan de voormelde omstandigheden waarop [eiser] een beroep deed, geen aandacht te besteden. 3.6.1 Het hof heeft in rov. 4.6 overwogen dat het begrijpt dat [eiser] aan zijn vordering met betrekking tot de door hem als gevolg van wanprestatie of onrechtmatig handelen van de Bank geleden schade de door het hof in zijn rov. 4.7 tot en met 4.12 besproken omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Onderdeel 5 betoogt dat deze overweging onbegrijpelijk is omdat [eiser] aan deze vordering ook ten grondslag heeft gelegd dat de Bank geen vorderingsrecht(en) meer op hem had uit hoofde van de kredietovereenkomst van 3 augustus 1990 (i) vanwege overneming van de bancaire schuld(en) van ILFB door CCM en (ii) door bekrachtiging, en dat hij […]”

r.o. 3.5

“Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Wat de hiervoor in 3.6.1 onder (i) bedoelde omstandigheid betreft, verdient opmerking dat de schuldoverneming door CCM niet ook de schuld uit de persoonlijke gebondenheid van [eiser] inhoudt, nu [eiser] niet heeft gesteld en uit de gedingstukken ook niet kan worden afgeleid dat de toestemming van de Bank mede daarop gericht was. Van een rechtens relevante bekrachtiging door CCM kan voorts ook geen sprake zijn geweest, omdat ingevolge het bepaalde in art. 2:203 BW alleen namens de vennootschap in oprichting verrichte handelingen kunnen worden bekrachtigd door de opgerichte vennootschap en daarvan hier geen sprake is. 3.6.3 Uit het vorenoverwogene volgt dat de klacht van onderdeel 6 over het passeren van een op voormelde omstandigheden gericht bewijsaanbod evenmin doel kan treffen. 3.7.1 Onderdeel 7.1 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.7.5 waarin het hof, kort samengevat, heeft overwogen dat de Bank niet onrechtmatig heeft gehandeld of toerekenbaar is tekortgeschoten jegens ILFB door er niet voor te zorgen dat de ten processe bedoelde terugkoopverklaring tijdig werd verlengd. Het hof heeft dit oordeel hierop gebaseerd dat [eiser] zijn stellingen onvoldoende heeft gemotiveerd en ook niet heeft aangevoerd dat en waarom de Bank in dit verband een bijzondere zorgplicht zou hebben. Het onderdeel acht dit oordeel in het licht van de door [eiser] aangevoerde omstandigheden onvoldoende gemotiveerd. De […]”

r.o. 3.6.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2003:AJ0498
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
21 november 2003
Datum publicatie
21 november 2003
Spoor
Boek 2 BW, Personenvennootschappen
Wetsartikelen
2:203 BW, 6:162 BW
Thema
Overig Boek 2, Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 47 van 2003

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.