← Week 49

Hoge Raad · 5 december 2003

Binding aan afwikkelingsregeling vof: ondertekenaar in privé, als schijnvennoot of via bv-vennoot

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Schuldeisers van een verliesgevende vof vorderen van de ondertekenaar van een afwikkelingsregeling een deel van hun vordering. Hhij stelt dat hij tekende namens de besloten vennootschap die in zijn plaats vennoot was geworden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de door de schuldeisers aangevoerde essentiële omstandigheden niet heeft meegewogen en dat de motivering van het oordeel dat niet hij maar de vennootschap is gebonden onvoldoende is. De arresten worden vernietigd en de zaak wordt verwezen.

Kernoverwegingen

“In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1, 2.2 en 2.3. Het gaat in deze zaak om de vraag of één van de ondertekenaars ([verweerder]) van een regeling tot afwikkeling van een verliesgevende v.o.f. (Holland Ceramica Import; verder te noemen: HCI) hieraan in privé of in zijn hoedanigheid van (schijn)vennoot jegens twee schuldeisers ([eiseres 1] en [eiseres 2]) van de v.o.f. is gebonden dan wel de vennootschap (Tegelgigant B.V.; later genaamd: Ital Beheer B.V.), waarvan hij directeur en enig aandeelhouder was en die enige tijd na oprichting van de v.o.f. in de plaats van de ondertekenaar als vennoot tot de v.o.f. is toegetreden, partij bij de getroffen afwikkelingsregeling is. 3.2 [Eiseres] c.s. vorderen van [verweerder] in deze procedure 25% van het bedrag dat HCI verschuldigd is aan [eiseres] c.s. op - voor zover in cassatie nog van belang - twee grondslagen: 1. [Verweerder] is op 4 september 1990 (de datum waarop is afgesproken tot liquidatie van HCI over te gaan en waarop is afgesproken dat de vennoten van HCI ieder voor 25% van het verlies verantwoordelijk zouden zijn) nog vennoot van HCI; uit dien hoofde is hij gehouden de 25% te voldoen; en 2. [Verweerder] heeft op 4 september 1990 onvoorwaardelijk toegezegd de 25% te betalen. Bij arrest van 26 augustus 1997 heeft het hof op het beroep van [verweerder] het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 8 februari 1996 vernietigd. De rechtbank was van […]”

r.o. 3.1

“In rov. 2 van het arrest van 26 augustus 1997 heeft het hof geoordeeld dat in hoger beroep niet is opgekomen tegen hetgeen de rechtbank met betrekking tot de primaire vordering van [eiseres] c.s. heeft geoordeeld, te weten dat [eiseres] c.s. van [verweerder] in diens hoedanigheid van vennoot van HCI geen betaling van hun vorderingen op HCI kunnen eisen nu uit het Handelsregister blijkt dat [verweerder] geen vennoot van HCI is. Onderdeel I.1 keert zich tegen deze overweging met een beroep op de devolutieve werking van het hoger beroep: het klaagt dat het hof in deze rechtsoverweging ten onrechte niet heeft behandeld het beroep van [eiseres] c.s. op de omstandigheid dat [verweerder] jegens hen in schijn nog steeds vennoot was en op die grond gehouden was om in ieder geval 25% van de vorderingen van [eiseres] c.s. te voldoen. De klacht is terecht voorgesteld want het hof heeft de tweede grondslag van de vordering van [eiseres] c.s., die door de rechtbank in beginsel was aanvaard, afgewezen en had derhalve de eerste grondslag van de vordering van [eiseres] c.s. alsnog moeten beoordelen. De klacht kan echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, omdat het hof over deze kwestie - kan [verweerder] in persoon als vennoot van HCI worden aangesproken omdat hij tegenover [eiseres] c.s. de schijn heeft gewekt dat hij (nog steeds) vennoot van HCI was - alsnog heeft geoordeeld in de rovv. 3.1 - 3.3 van zijn arrest van 26 maart 2002. 3.4 In rov. 5 van het arrest van 26 augustus […]”

r.o. 3.3

“In rov. 5 van het arrest van 26 augustus 1997 heeft het hof geoordeeld het aannemelijk te achten dat [verweerder] bij het opstellen van de verklaring van 4 september 1990 en de ondertekening daarvan is opgetreden als vertegenwoordiger van Tegelgigant B.V. en dat uit de stukken niet blijkt dat [verweerder] in privé gebonden is. Nu [eiseres] c.s. in hun memorie van antwoord hebben gewezen op de reden van de bespreking waarin de verklaring van 4 september 1990 is opgesteld, op de omstandigheid dat de bespreking plaatsvond op initiatief, ten kantore en in aanwezigheid van [eiseres] c.s., op de omstandigheid dat in de verklaring naar [eiseres] c.s. als de grootste crediteuren van HCI wordt verwezen en op de kennelijke bedoeling van de betrokkenen dat [eiseres] c.s. afstand zouden doen van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten, zodat er een overzichtelijke aansprakelijkheid voor de vennoten zou overblijven, en deze omstandigheden van essentieel belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag, of de verklaring van 4 september 1990 een binding van [verweerder] jegens [eiseres] c.s. teweegbrengt, is het desbetreffende oordeel van het hof, waarin geen aandacht aan deze (essentiële) omstandigheden is besteed, niet voldoende gemotiveerd. De desbetreffende klacht van onderdeel I.2 slaagt derhalve. 3.5 De onderdelen I.3 en I.4, gericht tegen de rovv. 6 - 9, die alle berusten op het door onderdeel I.2 als onvoldoende gemotiveerd met succes bestreden uitgangspunt dat […]”

r.o. 3.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2003:AK4847
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
5 december 2003
Datum publicatie
8 december 2003
Spoor
Personenvennootschappen
Thema
Personenvennootschappen
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 49 van 2003

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.