Hoge Raad · 19 december 2003
Gebondenheid van vrij-beheergemeenten aan kerkordewijziging en kerkelijke geschillenbeslissing; artikel 2:2 BW
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Zelfstandige kerkelijke gemeenten met een eigen vermogensbeheer bestrijden de bindende werking van een kerkelijke geschillenbeslissing en kerkordewijzigingen van het kerkgenootschap. De Hoge Raad oordeelt dat de gemeenten als zelfstandige onderdelen van het kerkgenootschap op grond van artikel 2:2 BW in het algemeen gebonden zijn aan de kerkelijke regelgeving. De beslissing van de kerkelijke geschillencommissie wordt in analogie met artikel 7:904 lid 1 BW slechts marginaal getoetst. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“In rov. 8 heeft het hof geoordeeld dat de geschillenregeling zoals neergelegd in Ordinantie 19, meer in het bijzonder in art. 2 daarvan, mede bezien in het licht van art. 8 lid 5 en art. 17 van die Ordinantie, bezwaarlijk anders kan worden begrepen dan dat een ingevolge art. 2 van die geschillenregeling door de Generale Commissie gegeven beslissing de partijen bij dat geschil bindt op de wijze als bedoeld in art. 7:904 lid 1 BW; een dergelijke beslissing kan dan ook slechts op de in die bepaling aangegeven gronden worden aangetast. Dit een en ander komt, aldus het hof, neer op een marginale toetsing van de inhoud van het desbetreffende besluit. 3.3.2 Onderdeel 2.1 bevat een in algemene bewoordingen gestelde klacht tegen rov. 8, namelijk dat het hof door aldus te overwegen heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn beslissing terzake niet of onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze klacht wordt nader uitgewerkt in de onderdelen 2.2-2.4. Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof Ordinantie 19 ten onrechte heeft aangemerkt als een vaststellings-overeenkomst waarop art. 7:904 BW van toepassing is. Het hof heeft echter niet geoordeeld dat Ordinantie 19 een vaststellingsovereenkomst is doch dat een beslissing die op grond van Ordinantie 19 is genomen, partijen bindt op de wijze als bedoeld in art. 7:904 lid 1 BW. De klacht kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Hierbij wordt aangetekend dat deze analoge toepassing van art. 7:904 lid 1 BW […]”
r.o. 3.3.1
“Onderdeel 2.1 bevat een in algemene bewoordingen gestelde klacht tegen rov. 8, namelijk dat het hof door aldus te overwegen heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn beslissing terzake niet of onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze klacht wordt nader uitgewerkt in de onderdelen 2.2-2.4. Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof Ordinantie 19 ten onrechte heeft aangemerkt als een vaststellings-overeenkomst waarop art. 7:904 BW van toepassing is. Het hof heeft echter niet geoordeeld dat Ordinantie 19 een vaststellingsovereenkomst is doch dat een beslissing die op grond van Ordinantie 19 is genomen, partijen bindt op de wijze als bedoeld in art. 7:904 lid 1 BW. De klacht kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Hierbij wordt aangetekend dat deze analoge toepassing van art. 7:904 lid 1 BW in een geval als het onderhavige, waarin een rechter een beslissing van een lichaam toetst, die is genomen krachtens eigen bevoegdheid, niet blijk geeft van een onjuiste rechts-opvatting. 3.3.3 Onderdeel 2.3 klaagt allereerst dat het hof bij de uitleg van de geschillenregeling in Ordinantie 19 ten onrechte niet het criterium heeft gehanteerd dat van en uit het tussen partijen overeengekomene (de Ordinantie 19) ondubbelzinnig blijkt dat de beslissingen van de Generale Commissie voor partijen bindend en onaantastbaar zijn in die zin dat daarmee de weg naar de burgerlijke rechter - behoudens een marginale toetsing - is afgesloten, maar het lichtere […]”
r.o. 3.3.2
“In rov. 22 heeft het hof de in zijn rov. 21 geschetste overweging van de Generale Commissie onderschreven, waar met betrekking tot de positie van de plaatselijke gemeenten onder verwijzing naar art. 2:2 BW werd overwogen, dat kerkelijke organisaties weliswaar rechtssubject kunnen zijn, maar tevens onderworpen (kunnen) zijn aan de regels van de Kerk en dat voor die gebondenheid aanvaarding door de gemeenten en haar organen niet is vereist en dat zulks niet alleen geldt voor bestuurlijke aangelegenheden maar ook voor tal van bepalingen inzake het beheer van goederen en fondsen van de gemeenten. Het hof heeft daarbij voorts verwezen naar rov. 11 van zijn arrest van 18 september 1997, waartegen geen cassatieberoep is ingesteld, inhoudende dat de gemeenten als zelfstandige onderdelen van de Kerk dienen te worden aangemerkt en dat zij uit dien hoofde krachtens art. 2:2 BW in het algemeen gebonden zijn aan de op dit artikel gebaseerde of daaruit voortvloeiende regelgeving van de Kerk, waaronder de Kerkorde 1951 en de Kerkorde 1991. Daarmee is verworpen, aldus het hof, het standpunt van de Gemeenten dat zij in vermogensrechtelijk opzicht (wat betreft het beheer van hun goederen en fondsen), althans hun kerkvoogdijen buiten het kerkverband staan. 3.4.2 Onderdeel 3.1 bevat een in algemene bewoordingen gestelde klacht tegen rov. 22, namelijk dat het hof daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechts-opvatting, onder meer en vooral betreffende art. 2:2 BW, dan wel een onvoldoende […]”
r.o. 3.4.1