Hoge Raad · 30 januari 2004
Ontvanger spreekt oud-bestuurder en aandeelhouder aan uit onrechtmatige daad naast artikel 40 Invorderingswet
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
De Hoge Raad oordeelt dat de ontvanger van de Belastingdienst naast aansprakelijkstelling op grond van artikel 40 Invorderingswet 1990 ook een vordering uit onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) kan instellen tegen een voormalige bestuurder en aandeelhouder die door vermogensonttrekking en aandelenverkoop verhaal op de vennootschap frustreerde. De fatale termijn uit de Leidraad Invordering geldt niet voor die vordering. Het arrest wordt toch vernietigd, omdat het hof van de aandeelhouder ten onrechte een gespecificeerd aanbod van tegenbewijs verlangde.
Kernoverwegingen
“Bij de beoordeling van het onderdeel wordt vooropgesteld dat de ontvanger bevoegd is in rechte op te treden in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak, die bestaat in de invordering van de rijksbelastingen (art. 3 leden 1 en 3 Iw 1990). In tegenstelling tot hetgeen ingevolge de voorheen van kracht zijnde Invorderingswet 1845 gold, is in art. 3 lid 2 Iw 1990 een 'open systeem' neergelegd. Dit houdt in dat de ontvanger ter uitoefening van zijn voormelde taak niet alleen over de bijzondere aan de Invorderingswet ontleende bevoegdheden beschikt, maar dat hij daartoe ook gebruik kan maken van alle wettelijke bevoegdheden die een schuldeiser aan het burgerlijk recht kan ontlenen, waaronder maatregelen om op te komen tegen verkorting van zijn verhaalsrecht. Dit open systeem brengt onder meer mee dat de ontvanger ontvankelijk is in een vordering die niet strekt tot invordering van belastingschulden van een vennootschap waarvan de aandelen zijn overgedragen aan een derde, maar tot vergoeding van de schade die de ontvanger heeft geleden doordat die invordering als gevolg van onrechtmatig handelen van de overdrager, niet meer mogelijk is (HR 28 juni 1996, nr. 16058, NJ 1997, 102). Dit verhaal kan overigens pas plaatsvinden nadat deze belastingschulden met toepassing van de belastingwetgeving zijn vastgesteld (HR 8 mei 1998, nrs. 16553, C 97/032, NJ 1998, 890). 3.6 In dit licht kan de stelling van het onderdeel dat art. 40 Iw 1990 een lex specialis is van […]”
r.o. 3.5
“In dit licht kan de stelling van het onderdeel dat art. 40 Iw 1990 een lex specialis is van art. 6:162 BW, waarmee klaarblijkelijk is bedoeld dat deze bijzondere aan de Invorderingswet ontleende bevoegdheid van de ontvanger de toepasselijkheid van de algemene regeling inzake de onrechtmatige daad verdringt, niet als juist worden aanvaard. Het toepassingsgebied van art. 40 Iw 1990 valt immers niet geheel binnen het toepassingsgebied van art. 6:162 BW: waar de eerstgenoemde regeling de aansprakelijkheid betreft van degene die een aanmerkelijk belang in een vennootschap heeft vervreemd voor de schulden van die vennootschap ter zake van de vennootschapsbelasting, houdt art. 6:162 een schadevergoedingsregeling in voor de benadeelde ter zake van een door een derde jegens hem gepleegde onrechtmatige daad. 3.7 Ook de wetsgeschiedenis laat geen twijfel bestaan dat art. 40 Iw 1990 geen lex specialis is ten opzichte van de rechten en bevoegdheden die de ontvanger aan het burgerlijk recht kan ontlenen, nu de memorie van antwoord op de onderhavige bepaling onder meer de volgende passage bevat (Kamerstukken II 1987/88, 20 588, nr. 3, blz. 7-8): "Met betrekking tot de verhouding tussen de bijzondere bevoegdheden neergelegd in dit wetsvoorstel en de algemene bevoegdheden die het burgerlijk recht toekent aan een gewone schuldeiser, merken wij op dat in een open systeem de bevoegdheden naast elkaar kunnen worden aangewend (...). Het is dus niet zo dat die bijzondere bevoegdheden prevaleren […]”
r.o. 3.6
“Het onderdeel doet voorts een beroep op het feit dat de ontvanger zowel in zijn beslagrekest als in de dagvaarding in de eerste procedure art. 6:162 BW als subsidiaire aansprakelijkheidsgrond heeft opgenomen. Hiermee is kennelijk bedoeld aansluiting te zoeken bij de door de Hoge Raad aan art. 49 paragraaf 3 lid 1 van de Leidraad Invorderingswet 1990 gegeven uitleg van de daarin genoemde termijn van in beginsel twee maanden, welke uitleg aldus luidt dat genoemde termijn niet is bedoeld als een 'instructie- of streefnorm', maar als een fatale termijn binnen welke de ontvanger, op straffe van verlies van het recht daartoe, tot dagvaarding moet overgaan in die zin dat overschrijding van deze termijn tot niet-ontvankelijkheid leidt (HR 20 december 1996, nr. 16033, NJ 1997, 289). Nu de ontvanger in het onderhavige geval deze termijn van in beginsel twee maanden ongebruikt heeft doen verstrijken (zie hiervoor in 3.1 (ix)), heeft hij daarmee niet alleen zijn recht verspeeld [eiseres] nog verder aansprakelijk te stellen op de voet van art. 40 Iw 1990, maar ook zijn recht [eiseres] aan te spreken op grond van een door deze jegens de ontvanger gepleegde onrechtmatige daad, zo luidt de klacht. Deze klacht faalt eveneens. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in 3.6-3.7 is overwogen over de samenloop tussen art. 40 Iw 1990 en art. 6:162 BW en in 3.8 over de 'tweewegenleer', brengt een redelijke uitleg van art. 49 paragraaf 3 van de Leidraad Iw 1990 niet mee dat de daarin genoemde […]”
r.o. 3.9