← Week 2

Hoge Raad · 9 januari 2004

Hoger beroep ingesteld door na fusie verdwenen rechtspersoon: niet-ontvankelijk

  • Fusie en splitsing
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Na een fusie werd hoger beroep ingesteld uit naam van de verdwenen rechtspersoon. De Hoge Raad oordeelt dat dit geen herstelbare fout in de partijaanduiding is, omdat een rechtsmiddel alleen door een bestaande procespartij kan worden aangewend. Herstel is alleen mogelijk als de wederpartij vóór het einde van de appeltermijn wist of behoorde te weten van de fusie. Tussenkomst kan deze fout niet herstellen.

Kernoverwegingen

“Een rechtsmiddel kan in beginsel alleen worden aangewend door een ten tijde van die handeling (nog) bestaande procespartij. Een tweede uitgangspunt moet hier zijn dat het doen uitbrengen van een dagvaarding in hoger beroep door een in eerste aanleg als partij opgetreden rechtspersoon die ten gevolge van een fusie als bedoeld in art. 2:309 BW inmiddels heeft opgehouden te bestaan, zoals in dit geval Chesprop, niet kan worden aangemerkt als een niet ter zake doende, zich steeds voor verbetering lenende, fout in de aanduiding van een procespartij. 3.4.2 In zijn arrest van 6 december 2002, nr. C01/110, RvdW 2002, 203 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het een appellant niet zonder meer vrijstaat na afloop van de appeltermijn alsnog een andere partij (in die zaak: een in eerste aanleg door zijn ouder(s) vertegenwoordigde minderjarige die ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding inmiddels meerderjarig was geworden) dan de reeds gedagvaarde partij(en) aan wie het hoger beroep is aangezegd (in die zaak: de ouders), in de procedure te betrekken. Anders zouden de regels van appelprocesrecht die erop neerkomen dat in beginsel a) alleen de partij aan wie het hoger beroep is aangezegd en die in hoger beroep is gedagvaard te gelden heeft als de wederpartij van de appellant en b) van een tijdig ingesteld hoger beroep alleen dan sprake zal zijn als het hoger beroep binnen de appeltermijn aan de wederpartij rechtsgeldig wordt aangezegd en deze tijdig wordt gedagvaard, op […]”

r.o. 3.4.1

“Aanvaarding van de mogelijkheid dat in een geval als het onderhavige alsnog de verkrijgende rechtspersoon als appellant in de plaats van de verdwijnende rechtspersoon treedt, zou betekenen dat rechtsgevolg wordt toegekend aan handelingen van een niet meer bestaande procespartij en zou een doorkruising opleveren van de hiervoor in 3.4.2 onder b) vermelde regel van appel-procesrecht; een en ander ten nadele van de wederpartij die immers, indien zij niet tijdig op rechtsgeldige wijze in hoger beroep is betrokken, in beginsel ervan moet kunnen uitgaan dat daartoe wat haar betreft geen gelegenheid meer openstaat. Voor aanvaarding van die mogelijkheid bestaat, nu de verkrijgende rechtspersoon het geheel in eigen hand heeft te voorkomen dat de dagvaarding uit naam van de verdwijnende, niet meer bestaande, rechtspersoon wordt uitgebracht, slechts grond indien de wederpartij vóór het verstrijken van de appeltermijn wist of behoorde te weten dat de in de dagvaarding als appellant vermelde rechtspersoon als gevolg van fusie reeds ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding had opgehouden te bestaan. 3.4.4 Op het hiervoor in 3.4.1 en 3.4.3 overwogene stuiten alle klachten van onderdeel 2 af, met dien verstande dat die klachten feitelijke grondslag missen - en om deze reden niet tot cassatie kunnen leiden - voor zover zij ervan uitgaan dat [verweerder] in zijn memorie van 19 februari 2002 niet zou hebben betwist dat er bij de vermelding in de appeldagvaarding van Chesprop in plaats […]”

r.o. 3.4.3

“De klachten van onderdeel 1 leiden niet tot vernietiging omdat tussenkomst niet kan dienen als middel tot herstel van een overigens onherstelbare fout als de onderhavige (vgl. rov. 3.6, slot, van het hiervoor in 3.4.2 genoemde arrest). 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt MIM in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 301,34 an verschotten en € 1.365,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 9 januari 2004.”

r.o. 3.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2004:AN7324
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
9 januari 2004
Datum publicatie
9 januari 2004
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:309 BW
Thema
Fusie en splitsing
Weekoverzicht
Week 2 van 2004

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.