← Week 3

Hoge Raad · 16 januari 2004

Goglio

Uitkoop artikel 2:201a BW: eenstemmigheidsvereiste is geen bijzonder recht inzake zeggenschap

  • Uitkoop
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een aandeelhouder vordert uitkoop van een minderheidsaandeelhouder in een besloten vennootschap op grond van artikel 2:201a BW. De OK wees de vordering af omdat de statutaire eis van eenstemmigheid een bijzonder recht inzake zeggenschap zou inhouden. De Hoge Raad oordeelt dat de afwijzingsgronden van lid 4 beperkt moeten worden uitgelegd en dat een eenstemmigheidsvereiste bij gewone aandelen geen bijzonder recht inzake zeggenschap is. Hij vernietigt en verwijst terug.

Kernoverwegingen

“Bij de beoordeling van het middel dient uitgangspunt te zijn dat de wetgever in art. 2:201a BW een regeling heeft getroffen waardoor het aan de in het eerste lid van deze bepaling bedoelde aandeelhouders mogelijk wordt gemaakt in een eenvoudige procedure de andere aandeelhouder(s) uit te kopen en daardoor de overige aandelen te verwerven. De Ondernemingskamer kan de vordering tot overdracht van de aandelen slechts afwijzen op een van de in het vierde lid van art. 2:201a (limitatief) opgesomde gronden. Gelet op de aard en de strekking van deze regeling moeten deze afwijzingsgronden beperkt worden uitgelegd. In het bijzonder bieden zij de rechter in beginsel ook geen ruimte voor een belangenafweging. 3.5 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 2:201a BW (Kamerstukken II 1985/86, 18 904, nr. 6, blz. 1) blijkt dat de wetgever de in het vierde lid van dit artikel vervatte afwijzingsgrond dat "een gedaagde houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden" heeft opgenomen in het bijzonder met het oog op de positie van houders van prioriteitsaandelen. Mede in verband met hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, moet deze afwijzingsgrond in strikte zin worden opgevat in dier voege dat op deze grond slechts een beroep kan worden gedaan door een houder van aandelen van een bepaalde soort waaraan de statuten bijzondere rechten verbinden inzake de zeggenschap in de vennootschap. 3.6 Aan de aandelen waarom het in […]”

r.o. 3.4

“Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 2:201a BW (Kamerstukken II 1985/86, 18 904, nr. 6, blz. 1) blijkt dat de wetgever de in het vierde lid van dit artikel vervatte afwijzingsgrond dat "een gedaagde houder is van een aandeel waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap in de vennootschap verbinden" heeft opgenomen in het bijzonder met het oog op de positie van houders van prioriteitsaandelen. Mede in verband met hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, moet deze afwijzingsgrond in strikte zin worden opgevat in dier voege dat op deze grond slechts een beroep kan worden gedaan door een houder van aandelen van een bepaalde soort waaraan de statuten bijzondere rechten verbinden inzake de zeggenschap in de vennootschap. 3.6 Aan de aandelen waarom het in deze procedure gaat, is door de statuten van de vennootschap niet een bijzondere zeggenschap verbonden. Het gaat immers om gewone aandelen. De omstandigheid dat in art. 17 van de statuten eenstemmigheid is voorgeschreven bij de besluitvorming in de algemene vergadering van aandeelhouders, kan niet tot de conclusie leiden dat hierover anders geoordeeld moet worden. De daarin opgenomen bepaling heeft, voor zover de wet dit toelaat, weliswaar tot gevolg dat in de algemene vergadering van aandeelhouders slechts besluiten kunnen worden genomen waarover alle aandeelhouders het eens zijn geworden, doch daarmee zijn aan de aandelen als zodanig geen bijzondere rechten inzake de zeggenschap in de onderneming […]”

r.o. 3.5

“Aan de aandelen waarom het in deze procedure gaat, is door de statuten van de vennootschap niet een bijzondere zeggenschap verbonden. Het gaat immers om gewone aandelen. De omstandigheid dat in art. 17 van de statuten eenstemmigheid is voorgeschreven bij de besluitvorming in de algemene vergadering van aandeelhouders, kan niet tot de conclusie leiden dat hierover anders geoordeeld moet worden. De daarin opgenomen bepaling heeft, voor zover de wet dit toelaat, weliswaar tot gevolg dat in de algemene vergadering van aandeelhouders slechts besluiten kunnen worden genomen waarover alle aandeelhouders het eens zijn geworden, doch daarmee zijn aan de aandelen als zodanig geen bijzondere rechten inzake de zeggenschap in de onderneming verbonden, ook niet als het aandelen zijn die worden gehouden door een (kleine) minderheidsaandeelhouder. 3.7 Op grond van het vorenoverwogene slagen de rechtsklachten van de onderdelen 2 tot en met 4. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het arrest van de Ondernemingskamer in het gerechtshof te Amsterdam van 2 mei 2002; verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar de Ondernemingskamer; veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 376,36 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het […]”

r.o. 3.6

Gegevens

Bekend als
Goglio
ECLI
ECLI:NL:HR:2004:AO1777
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
16 januari 2004
Datum publicatie
16 januari 2004
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:201a BW, 2:92a BW
Thema
Uitkoop, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Aangesproken
aandeelhouder
Weekoverzicht
Week 3 van 2004

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.