← Week 19

Hoge Raad · 7 mei 2004

Muller/Rabobank

Reikwijdte zekerheidsverbod artikel 2:207c BW bij doorleenconstructie

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De curator van een failliete bv stelde dat de financierings- en zekerheidsovereenkomsten met de bank nietig waren wegens strijd met artikel 2:207c BW, omdat de bv het geleende geld had doorgeleend aan de koper van haar aandelen. De Hoge Raad oordeelt dat het verbod op zekerheidstelling niet geldt als de vennootschap alleen zekerheid verstrekt voor haar eigen schuld aan de bank. Het beroep wordt verworpen.

Kernoverwegingen

“Onderdeel 1, dat met het hof - terecht - tot uitgangspunt neemt dat de lening van [A] aan Beheer onder het bereik van art. 2:207c lid 2 valt, keert zich met een aantal rechtsklachten tegen hetgeen het hof in zijn rov. 7, 7.1 en 7.2 heeft overwogen. In een geval als het onderhavige, waarin de vennootschap het geld dat zij van de bank heeft geleend geheel of ten dele doorleent aan een ander, opdat deze daarmee aandelen in de vennootschap kan verkrijgen, valt het stellen van zekerheid door de vennootschap voor de door haar verkregen lening onder het verbod van art. 2:207c lid 1. Dat is zeker het geval wanneer de lening ertoe strekt dat het beschikbaar komende bedrag met die bedoeling geheel of ten dele wordt doorgeleend aan die ander, en is in elk geval zo wanneer de bank bij het verstrekken van de lening en het stellen van zekerheid wist van die bedoeling, aldus het onderdeel. 3.4.2 Art. 2:207c is ingevoerd bij de Wet van 12 december 1985, houdende nieuwe regeling voor het kapitaal van de besloten vennootschap, Stb. 1985, 656. De oorspronkelijk voor dit artikel voorgestelde tekst is gelijk aan art. 2:98c lid 1 en 3 BW, zoals dit op 1 september 1981 in werking is getreden. Laatstgenoemd artikel is ingevoerd ter uitvoering van (art. 23 van) de Tweede Richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976, PB nr. L 026, 31 januari 1977, welke richtlijn alleen regelen geeft voor de naamloze vennootschap en derhalve niet van toepassing is op de besloten vennootschap; genoemd artikel […]”

r.o. 3.4.1

“Art. 2:207c is ingevoerd bij de Wet van 12 december 1985, houdende nieuwe regeling voor het kapitaal van de besloten vennootschap, Stb. 1985, 656. De oorspronkelijk voor dit artikel voorgestelde tekst is gelijk aan art. 2:98c lid 1 en 3 BW, zoals dit op 1 september 1981 in werking is getreden. Laatstgenoemd artikel is ingevoerd ter uitvoering van (art. 23 van) de Tweede Richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976, PB nr. L 026, 31 januari 1977, welke richtlijn alleen regelen geeft voor de naamloze vennootschap en derhalve niet van toepassing is op de besloten vennootschap; genoemd artikel 23 verbiedt, ter voorkoming van het ontgaan van de wettelijke beperkingen inzake de inkoop van eigen aandelen, een naamloze vennootschap geldelijke steun te verlenen met het oog op verkrijging van haar aandelen door derden. Ingevolge de oorspronkelijk voor art. 2:207c BW voorgestelde tekst mocht ook een besloten vennootschap niet "met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal of van certificaten daarvan, leningen verstrekken, zekerheid stellen, een koersgarantie geven, zich op andere wijze sterk maken of zich hoofdelijk of anderszins naast of voor anderen verbinden". Bij nota van wijzigingen werd het wetsontwerp Nieuwe regeling voor het kapitaal van de besloten vennootschap (Kamerstukken II, 1980/81, 16 551, nr. 1) echter onder meer in die zin gewijzigd dat, in afwijking van het sinds 1 september 1981 voor de naamloze vennootschap geldende […]”

r.o. 3.4.2

“Het hof heeft terecht geoordeeld dat art. 2:207c lid 1 in het licht van lid 2 aldus moet worden uitgelegd dat het tot de vennootschap gerichte verbod om zekerheid te stellen met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal of van certificaten daarvan, niet ziet op een geval als het onderhavige waarin uit de van de bank geleende gelden weliswaar door de vennootschap een lening aan een derde is verstrekt opdat deze aandelen in de vennootschap zou kunnen verkrijgen, maar - naar de in cassatie onbestreden vaststelling van het hof - de vennootschap slechts zekerheid heeft verstrekt voor haar eigen leenschuld aan de bank. Noch de wetsgeschiedenis, blijkens welke te dezen voor de besloten vennootschap is gekozen voor een regeling die afwijkt van die welke ter uitvoering van de Tweede Richtlijn is getroffen voor de naamloze vennootschap, noch de tekst van art. 2:207c staat in de weg aan deze uitleg. Daarbij verdient opmerking dat in die uitleg, anders dan bij de door het onderdeel voorgestane uitleg het geval zou zijn, niet alleen een vennootschap die over voldoende uitkeerbare reserves als bedoeld in art. 2:207c lid 2 en liquide middelen beschikt, maar ook een vennootschap met een gelijke vermogenspositie maar onvoldoende liquiditeit, een lening met het oog op het nemen of verkrijgen van aandelen in haar kapitaal of van certificaten daarvan zal kunnen verstrekken zonder daarbij gedwarsboomd te worden door het hier aan de orde zijnde verbod. Met die […]”

r.o. 3.4.4

Gegevens

Bekend als
Muller/Rabobank
ECLI
ECLI:NL:HR:2004:AO1962
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
7 mei 2004
Datum publicatie
7 mei 2004
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:207c BW, 2:98c BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 19 van 2004

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.