Hoge Raad · 10 september 2004
Hoger beroep tegen door fusie verdwenen rechtspersoon; ontvankelijkheid en onderzoeksplicht
- Fusie en splitsing
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Een werknemer vorderde schadevergoeding van een vennootschap die tijdens de procedure in eerste aanleg door een fusie was opgehouden te bestaan, en stelde hoger beroep in tegen die verdwenen vennootschap. De Hoge Raad oordeelt dat hoger beroep in beginsel tegen de verkrijgende rechtspersoon moet worden ingesteld, maar dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid leidt als de appellant van de rechtsovergang niet wist en redelijkerwijs niet kon weten. Er rust niet onder alle omstandigheden een onderzoeksplicht op de appellant. Artikel 2:309 BW speelt alleen een rol als achtergrond van de fusie.
Kernoverwegingen
“Vooropgesteld moet worden dat het incidenteel cassatieberoep is ingesteld door Euronext en AEX. Naar uit het door [eiseres] bij de cassatiedagvaarding overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam blijkt, heeft AEX op 22 september 2000 opgehouden te bestaan als gevolg van een fusie waarbij Euronext de verkrijgende rechtspersoon was. Nu een rechtsmiddel in beginsel alleen kan worden aangewend door een ten tijde van die handeling nog bestaande rechtspersoon, kan AEX niet worden ontvangen in het door haar ingestelde incidentele cassatieberoep (vgl. HR 9 januari 2004, nr. C02/199, RvdW 2004, 14). 4.3 Het middel betoogt dat de rechtbank [eiseres] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep had behoren te verklaren. Het middel voert daartoe aan dat AEX op 22 september 2000 heeft opgehouden te bestaan, omdat zij op die dag in het kader van een fusie als bedoeld in art. 2:309 BW is opgegaan in Euronext. Toen [eiseres] op 10 mei 2001 bij AEX het exploot van dagvaarding in hoger beroep liet uitbrengen, bestond AEX niet meer. [Eiseres] had dat, aldus nog steeds het middel, kunnen weten door raadpleging van het handelsregister bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam, en zij had dus hoger beroep moeten instellen tegen Euronext in plaats van tegen AEX. 4.4 Bij de beoordeling van het middel moet worden uitgegaan van de regel dat een rechtsmiddel in beginsel dient te worden ingesteld tegen de processuele wederpartij in de vorige instantie. […]”
r.o. 4.2
“Bij de beoordeling van het middel moet worden uitgegaan van de regel dat een rechtsmiddel in beginsel dient te worden ingesteld tegen de processuele wederpartij in de vorige instantie. De partij die het rechtsmiddel aanwendt, heeft de vrijheid om naast die wederpartij diens rechtsopvolger in de volgende instantie te betrekken. Wanneer de wederpartij ten tijde van het aanwenden van het rechtsmiddel niet meer bestaat, kan het rechtsmiddel echter - op straffe van niet-ontvankelijkheid - uitsluitend tegen de rechtsopvolger worden ingesteld (HR 13 november 1987, nr. 13 259, NJ 1988, 941). Nu tijdens de procedure in eerste aanleg een fusie als hiervoor in 4.2 vermeld heeft plaatsgevonden die tot gevolg had dat AEX heeft opgehouden te bestaan en dat haar rechten zijn overgegaan op Euronext, kon het hoger beroep derhalve in beginsel slechts worden ingesteld tegen Euronext (vgl. HR 5 januari 2001, nr. C99/122, NJ 2001, 80). Het instellen van een rechtsmiddel tegen een niet meer bestaande rechtspersoon behoeft echter niet tot niet-ontvankelijkheid te leiden indien de partij die het rechtsmiddel instelt, niet weet en redelijkerwijs ook niet kan weten dat een rechtsovergang aan de zijde van haar wederpartij heeft plaatsgevonden (vgl. HR 6 december 2002, nr. C01/110, NJ 2004, 162). Anders dan het middel kennelijk tot uitgangspunt neemt, kan niet zonder meer worden aangenomen dat op een appellant onder alle omstandigheden te dezen een onderzoeksplicht rust voordat hij een rechtsmiddel […]”
r.o. 4.4