Hoge Raad · 11 maart 2005
Cassatieberoep tegen vennootschap die door splitsing is opgehouden te bestaan
- Fusie en splitsing
- Boek 2 BW
Samenvatting
Tijdens het hoger beroep is een van de procespartijen zuiver gesplitst en daardoor als vennootschap opgehouden te bestaan. De wederpartij stelde cassatieberoep in tegen deze gesplitste vennootschap in plaats van tegen de verkrijgende vennootschap. De Hoge Raad oordeelt dat het beroep niet niet-ontvankelijk is als de appellerende partij de rechtsovergang niet kende en redelijkerwijs niet behoefde te kennen, zeker nu na de splitsing op naam van de vennootschap is voortgeprocedeerd. De rechtsopvolger wordt geacht in cassatie te zijn verschenen.
Kernoverwegingen
“Aan het beroep op niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep ligt de stelling ten grondslag dat Mega niet langer bestaat door het met ingang van 14 september 1999 van kracht worden van een zuivere splitsing als bedoeld in art. 2:334a BW van die vennootschap en dat niet Mega, doch de verkrijgende vennootschap Mega Projecten B.V. in cassatie gedagvaard had dienen te worden. Gesteld wordt dat [eiser] c.s. daarvan ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in cassatie (op 18 mei 2004) redelijkerwijs op de hoogte hadden kunnen zijn, nu de splitsing in het handelsregister is ingeschreven en de inschrijving van Mega aldaar per 20 september 1999 is beëindigd. 3.2 Bij de beoordeling van dit verweer moet worden uitgegaan van de regel dat een rechtsmiddel in beginsel dient te worden ingesteld tegen de processuele wederpartij in de vorige instantie, doch dat wanneer die wederpartij ten tijde van het aanwenden van het rechtsmiddel niet meer bestaat, het rechtsmiddel - op straffe van niet-ontvankelijkheid - uitsluitend tegen de rechtsopvolger kan worden ingesteld. Nu tijdens de procedure in hoger beroep een splitsing als hiervoor in 3.1 bedoeld heeft plaatsgevonden die tot gevolg had dat Mega heeft opgehouden te bestaan en dat haar rechten zijn overgegaan op Mega Projecten B.V., kon het cassatieberoep derhalve in beginsel slechts worden ingesteld tegen deze laatste vennootschap. Het instellen van een rechtsmiddel tegen een niet meer bestaande rechtspersoon behoeft echter niet tot […]”
r.o. 3.1
“Bij de beoordeling van dit verweer moet worden uitgegaan van de regel dat een rechtsmiddel in beginsel dient te worden ingesteld tegen de processuele wederpartij in de vorige instantie, doch dat wanneer die wederpartij ten tijde van het aanwenden van het rechtsmiddel niet meer bestaat, het rechtsmiddel - op straffe van niet-ontvankelijkheid - uitsluitend tegen de rechtsopvolger kan worden ingesteld. Nu tijdens de procedure in hoger beroep een splitsing als hiervoor in 3.1 bedoeld heeft plaatsgevonden die tot gevolg had dat Mega heeft opgehouden te bestaan en dat haar rechten zijn overgegaan op Mega Projecten B.V., kon het cassatieberoep derhalve in beginsel slechts worden ingesteld tegen deze laatste vennootschap. Het instellen van een rechtsmiddel tegen een niet meer bestaande rechtspersoon behoeft echter niet tot niet-ontvankelijkheid te leiden indien de partij die het rechtsmiddel instelt niet weet en redelijkerwijs ook niet behoeft te weten dat een rechtsovergang aan de zijde van haar wederpartij heeft plaatsgevonden. Anders dan het verweer kennelijk tot uitgangspunt neemt, kan niet zonder meer worden aangenomen dat op een partij die een rechtsmiddel aanwendt onder alle omstandigheden te dezen een onderzoeksplicht rust voordat hij dat rechtsmiddel instelt tegen zijn wederpartij uit de vorige instantie (vgl. HR 10 september 2004, nr. C03/097, LJN AO9053). Voor een zodanige onderzoeksplicht is geen plaats in een geval als het onderhavige, waarin Mega in de loop van het […]”
r.o. 3.2
“Nu het geding in hoger beroep, zoals hiervoor in 3.2 is vastgesteld, ten name van Mega is voortgezet hoewel deze sedert 14 september 1999 niet meer bestond, moet het ervoor worden gehouden dat die voortzetting is geschied door de rechtsopvolger van Mega, overeenkomstig de mogelijkheid, genoemd in HR 15 juni 2001, nr. C99/239, NJ 2001, 435. Nu zich op de aan Mega, als wederpartij van [eisers] in hoger beroep, uitgebrachte cassatiedagvaarding een advocaat heeft gesteld, moet worden aangenomen dat in cassatie de rechtsopvolger van Mega is verschenen. Die rechtsopvolger kan het geding in cassatie, op de voet van hetgeen in het evenbedoelde arrest is beslist, voortzetten hetzij ten name van Mega, hetzij op haar eigen naam. 3.5 Het vorenstaande brengt mee dat partijen thans in de gelegenheid moeten worden gesteld het cassatieberoep en het verweer daartegen schriftelijk toe te lichten. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid; verwijst de zaak naar de rol van 25 maart 2005 ter bepaling van de datum voor de schriftelijke toelichting. Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 11 maart 2005.”
r.o. 3.4