← Week 17

Hoge Raad · 29 april 2005

Curator exclusief bevoegd enquête te verzoeken naar dochter van failliete moeder

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een failliete moedermaatschappij verzocht de OK een enquête te bevelen naar haar dochtervennootschap. De Hoge Raad oordeelt dat het verzoeken van een enquête een daad van beheer van een vermogensbestanddeel is. Die bevoegdheid komt exclusief toe aan de curator, dus de failliete moeder is niet-ontvankelijk.

Kernoverwegingen

“In de procedures die hebben geleid tot de hiervoor onder 5.1 genoemde beschikkingen stond centraal de vraag of de curator in het faillissement van een moeder-maatschappij die voldoet aan het gestelde in art. 2:346, aanhef en onder b, BW, bevoegd is met betrekking tot een dochtermaatschappij een enquête te verzoeken. Deze vraag heeft de Hoge Raad bevestigend beantwoord op grond van overwegingen die als volgt kunnen worden samengevat. Het gaat hier niet om de uitoefening van een vennootschapsrechtelijke bevoegdheid. Voor de moedermaatschappij vormen de aandelen in de dochtermaatschappij bestanddeel van haar vermogen. De bevoegdheid een enquête te verzoeken is geen vermogensrecht, maar dat sluit niet uit dat de aandeelhouder met zulk een verzoek kan beogen een vermogensbelang te dienen. Gelet op dit een en ander "bestaat er geen grond om aan een dergelijk verzoek het karakter te ontzeggen van een daad van beheer met betrekking tot een vermogensbestanddeel, tot welk beheer, indien dat vermogensbestanddeel in een failliete boedel is begrepen, krachtens art. 68 van de Faillissementswet de faillissementscurator bevoegd is." 5.3 Die beheersbevoegdheid is, naar op grond van het bepaalde in art. 68 lid 1 in verbinding met art. 25 lid 1 F. moet worden aangenomen, een exclusieve. Het onderdeel betoogt derhalve terecht dat de ondernemingskamer D Freight Group in haar verzoek niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. 6. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van de […]”

r.o. 5.2

“Die beheersbevoegdheid is, naar op grond van het bepaalde in art. 68 lid 1 in verbinding met art. 25 lid 1 F. moet worden aangenomen, een exclusieve. Het onderdeel betoogt derhalve terecht dat de ondernemingskamer D Freight Group in haar verzoek niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. 6. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van de ondernemingskamer van 5 januari 2004; verklaart D Freight Group niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Polisol; compenseert de kosten van het geding in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 29 april 2005.”

r.o. 5.3

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2005:AT0144
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
29 april 2005
Datum publicatie
29 april 2005
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:346 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 17 van 2005

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.