← Week 41

Hoge Raad · 14 oktober 2005

Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 36 Iw 1990: totaliteitsbeoordeling kennelijk onbehoorlijk bestuur en causaal verband

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een ontvanger houdt de bestuurder van een failliete vennootschap aansprakelijk voor onbetaalde naheffingsaanslagen wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 36 Invorderingswet 1990). De Hoge Raad oordeelt dat de rechter alle omstandigheden in totaliteit en onderlinge samenhang moet beoordelen, ook bij het causaal verband, en niet elke gedraging of aanslag afzonderlijk. Een verzwaarde motiveringsplicht en de omkeringsregel gelden niet. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen.

Kernoverwegingen

“Onderdeel 1.1 slaagt. Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door niet de door de Ontvanger gestelde gedragingen in totaliteit en in hun onderlinge samenhang te onderzoeken, maar de desbetreffende gedragingen uitsluitend op zichzelf te beschouwen en, bevindende dat die bedoelde aspecten telkens op zichzelf genomen geen kennelijk onbehoorlijk bestuur opleveren, daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat aan deze aspecten, ook in combinatie met andere factoren, geen gewicht kan toekomen. Naar mede volgt uit de wetsgeschiedenis, komt het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in art. 36 Iw 1990 immers erop aan dat de rechter alle ter zake dienende omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in zijn beoordeling betrekt. Dat heeft het hof ten onrechte niet gedaan, ook niet in rov. 4.8. 4.1.4 Onderdeel 1.2 behelst de klacht dat in een geval als het onderhavige, waarin de rechter tot aanwezigheid van kennelijk onbehoorlijk bestuur concludeert op basis van bepaalde feiten en omstandigheden, het oordeel van het hof dat andere feiten en omstandigheden niet vaststaan althans niet als kennelijk onbehoorlijk bestuur kunnen worden aangemerkt en dat daaraan geen gewicht kan toekomen in combinatie met andere factoren, aan hoge motiveringseisen dient te voldoen om begrijpelijk te zijn, aan welke eisen 's hofs overwegingen en beslissingen in rov. 4.4-4.7 niet voldoen. Ook overigens richt het onderdeel […]”

r.o. 4.1.3

“Het onderdeel faalt. Door tot uitgangspunt te nemen dat de last een en ander aannemelijk te maken op de Ontvanger rust, heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder ook niet omtrent het bepaalde in art. 36 Iw 1990. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en is evenmin ontoereikend gemotiveerd. 4.2.4 Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof in rov. 4.10 heeft miskend dat in gevallen als de onderhavige de zogenaamde omkeringsregel geldt. Het onderdeel faalt, omdat deze regel hier toepassing mist. In geval van overtreding van de norm dat de bestuurder zich van kennelijk onbehoorlijk bestuur dient te onthouden - welke norm niet specifiek strekt tot het voorkomen van het gevaar van het niet betalen van belastingschulden - geldt ten aanzien van de bestuurder die op de voet van art. 36 lid 3 Iw 1990 aansprakelijk wordt gehouden (anders dan bij toepasselijkheid van het vierde lid van die bepaling) niet het vermoeden dat het niet betalen van de belastingschuld aan de bestuurder is te wijten als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dat wordt niet anders indien de belastingschuldige wiens bestuurder aansprakelijk is gesteld wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur in staat van faillissement verkeert. 4.2.5 Onderdeel 2.3 betoogt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven door in rov. 4.12, waarin het hof per aanslag onderzoekt of verband bestaat tussen het niet voldoen daarvan en enige handelwijze van [verweerder] die als […]”

r.o. 4.2.3

“Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof in rov. 4.10 heeft miskend dat in gevallen als de onderhavige de zogenaamde omkeringsregel geldt. Het onderdeel faalt, omdat deze regel hier toepassing mist. In geval van overtreding van de norm dat de bestuurder zich van kennelijk onbehoorlijk bestuur dient te onthouden - welke norm niet specifiek strekt tot het voorkomen van het gevaar van het niet betalen van belastingschulden - geldt ten aanzien van de bestuurder die op de voet van art. 36 lid 3 Iw 1990 aansprakelijk wordt gehouden (anders dan bij toepasselijkheid van het vierde lid van die bepaling) niet het vermoeden dat het niet betalen van de belastingschuld aan de bestuurder is te wijten als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dat wordt niet anders indien de belastingschuldige wiens bestuurder aansprakelijk is gesteld wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur in staat van faillissement verkeert. 4.2.5 Onderdeel 2.3 betoogt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven door in rov. 4.12, waarin het hof per aanslag onderzoekt of verband bestaat tussen het niet voldoen daarvan en enige handelwijze van [verweerder] die als kennelijk onbehoorlijk bestuur is aangemerkt, ervan uit te gaan dat causaal verband moet bestaan tussen de afzonderlijke gedragingen waaruit van kennelijk onbehoorlijk bestuur blijkt en het onbetaald blijven van juist die bepaalde belastingschuld, aan het onbetaald blijven waarvan de desbetreffende gedragingen ten grondslag liggen. Het onderdeel […]”

r.o. 4.2.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2005:AT6017
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
14 oktober 2005
Datum publicatie
17 oktober 2005
Spoor
Art. 6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 41 van 2005

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.