← Week 49

Hoge Raad · 9 december 2005

Enquêterecht: onderzoekskosten bij faillissement geen zonder meer boedelschuld; zekerheidstelling door curatoren

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Na een bevolen enquête bij een failliete vennootschap verzoeken verzoekers de OK te bepalen dat de curatoren zekerheid stellen voor de onderzoekskosten, omdat die kosten volgens hen boedelschuld zijn op grond van artikel 2:350 lid 3 BW. De Hoge Raad oordeelt dat de OK bevoegd is, maar dat de opvatting dat de kosten zonder meer boedelschuld zijn onjuist is. Hij vernietigt de beschikking en verklaart de verzoekers niet-ontvankelijk.

Kernoverwegingen

“Het derde onderdeel keert zich tegen de door de ondernemingskamer aan haar beslissing ten grondslag gelegde, en in haar eerdere beschikking van 30 juni 2004 inzake DecideWise International (LJN AR 1240; JOR 2004, 231) al uitgesproken opvatting dat de kosten als bedoeld in art. 2:350 lid 3 BW zonder meer als boedelschuld hebben te gelden in het faillissement van de rechtspersoon ten aanzien waarvan een onderzoek als bedoeld in art. 2:345 BW is bevolen. Deze opvatting heeft de Hoge Raad in zijn beschikking in de genoemde zaak van 24 juni 2005, nr. R04/109 (OK 113), NJ 2005, 382, onjuist bevonden. Het onderdeel slaagt derhalve. 3.3 Het eerste onderdeel betreft de, in de zaak die heeft geleid tot de zojuist genoemde beschikking van de Hoge Raad niet aan de orde gestelde, vraag of de ondernemingskamer bevoegd is tot het geven van een beschikking als in dit geding verzocht. Aan het verzoekschrift hebben VEB c.s. onder meer (onder 9) ten grondslag gelegd dat de verplichting van de rechtspersoon, en in geval van faillissement de boedel, tot betaling van de kosten van het onderzoek rechtstreeks uit art. 2:350 lid 3 BW voortvloeit en derhalve een boedelschuld is. Aldus werd een zaak als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aan de ondernemingskamer voorgelegd, tot kennisneming waarvan zij op zichzelf bevoegd was (art. 66 lid 1 RO). Dat deze grondslag op een onjuiste rechtsopvatting berust, doet aan die bevoegdheid niet af. Wel leidt dat ertoe dat - zoals de Hoge Raad in zijn […]”

r.o. 3.2

“Het eerste onderdeel betreft de, in de zaak die heeft geleid tot de zojuist genoemde beschikking van de Hoge Raad niet aan de orde gestelde, vraag of de ondernemingskamer bevoegd is tot het geven van een beschikking als in dit geding verzocht. Aan het verzoekschrift hebben VEB c.s. onder meer (onder 9) ten grondslag gelegd dat de verplichting van de rechtspersoon, en in geval van faillissement de boedel, tot betaling van de kosten van het onderzoek rechtstreeks uit art. 2:350 lid 3 BW voortvloeit en derhalve een boedelschuld is. Aldus werd een zaak als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek aan de ondernemingskamer voorgelegd, tot kennisneming waarvan zij op zichzelf bevoegd was (art. 66 lid 1 RO). Dat deze grondslag op een onjuiste rechtsopvatting berust, doet aan die bevoegdheid niet af. Wel leidt dat ertoe dat - zoals de Hoge Raad in zijn laatstgenoemde beschikking in die, voorzover thans van belang gelijk liggende zaak heeft beslist - verzoekers alsnog in hun verzoek niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Het onderdeel wordt dus tevergeefs voorgesteld. 3.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Hoge Raad ook in dit geding zelf de zaak kan afdoen door VEB c.s. in hun verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Onderdeel 2 behoeft geen behandeling meer. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam van 22 maart 2005; verklaart VEB c.s. niet-ontvankelijk in hun verzoek te bepalen dat de curatoren […]”

r.o. 3.3

“Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Hoge Raad ook in dit geding zelf de zaak kan afdoen door VEB c.s. in hun verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Onderdeel 2 behoeft geen behandeling meer. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam van 22 maart 2005; verklaart VEB c.s. niet-ontvankelijk in hun verzoek te bepalen dat de curatoren ten genoegen van de onderzoeker zekerheid dienen te stellen voor de betaling van de kosten van het bevolen onderzoek; veroordeelt VEB c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curatoren begroot op € 336,38 aan verschotten en op € 2.200,-- voor salaris. Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 december 2005.”

r.o. 3.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2005:AU4621
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
9 december 2005
Datum publicatie
9 december 2005
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:345 BW, 2:350 BW
Thema
Enquêterecht
Weekoverzicht
Week 49 van 2005

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.