Hoge Raad · 10 februari 2006
Jaarrekening KPN: maatstaf inzicht artikel 2:362 BW, Richtlijnen en impairment
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een aandeelhoudersstichting vorderde aanpassing van de jaarrekening 2000 van een beursgenoteerde vennootschap wegens onvoldoende inzicht (artikel 2:362 BW). De Hoge Raad vernietigt de bevelen van de OK: zij heeft de rechtsgronden van de vordering aangevuld en haar oordelen over de toelichting en de impairmenttoets onvoldoende gemotiveerd. De Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving vormen een belangrijk oriëntatiepunt voor wat als aanvaardbaar geldt, en artikel 2:387 lid 4 BW schrijft geen berekeningswijze voor.
Kernoverwegingen
“Door, niettegenstaande vorenweergegeven omlijning van het bewaar door SOBI, vervolgens eigener beweging te beoordelen of de wijze waarop deze verwateringswinst in de winst- en verliesrekening is gerubriceerd het in art. 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht biedt, heeft de ondernemingskamer in strijd met art. 24 Rv. de feitelijke grondslag van de vordering aangevuld. Het staat de ondernemingskamer niet vrij haar beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer zijn ten grondslag gelegd (vgl. HR 29 maart 1996, nr. 15 958, NJ 1996, 421; HR 1 oktober 2004, nr. C03/093, NJ 2005, 92). 4.6 Onderdeel 1.3 slaagt derhalve. Het bestreden eindarrest kan niet in stand blijven. Voor het bevel aan KPN de jaarrekening over het boekjaar 2000 ter zake van de NTT DoCoMo transactie op de in het dictum onder 1) vermelde wijze in te richten is geen plaats. 4.7 Bij deze stand van zaken behoeven de overige klachten van onderdeel 1 geen behandeling. 5. Beoordeling van onderdeel 2 van het middel 5.1 Onderdeel 2 betreft overwegingen en beslissingen van de ondernemingskamer omtrent de bezwaren van SOBI ten aanzien van de BellSouth/E-Plus transactie. 5.2 Onderdeel 2.1 richt zich tegen rov. 3.14 van het tussenarrest van 7 november 2002 en rov. 3.5 en 4.2 van het eindarrest en het daarin onder 2) vermelde dictum. Daarin heeft de […]”
r.o. 4.5
“Bij de beoordeling van het onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of de jaarrekening het in art. 2:362 BW vereiste inzicht geeft, moet op de voet van het eerste lid van die bepaling worden onderzocht of zulks het geval is volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. Bij de vaststelling daarvan zijn, gelet ook op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving van belang. De voorschriften van deze Richtlijnen kunnen immers een belangrijk oriëntatiepunt en gezaghebbende kenbron vormen voor wat in het concrete geval als aanvaardbaar heeft te gelden. Ingeval de rechtspersoon bij het vaststellen van de jaarrekening is gekomen tot waarderingen die met deze voorschriften stroken, kan zulks een belangrijke aanwijzing vormen dat het vereiste inzicht is verschaft en dat de ruimte die in redelijkheid aan de rechtspersoon moet worden gelaten bij haar keuze voor de waardering van bepaalde posten niet is overschreden. 5.6 KPN heeft ten aanzien van haar keuze van de wijze van waardering van de warrant en het conversierecht en de weergave van de algemene methodiek van het gehanteerde waarderingsmodel in de toelichting op de jaarrekening - hiervoor weergegeven in 3.1 onder (x) en (xi) - in feitelijke aanleg aangevoerd dat zij heeft voldaan aan de daaromtrent in art. 2:384 lid 5 BW gestelde vereisten. Zij heeft voorts betoogd dat deze weergave (ook overigens) […]”
r.o. 5.5
“Aldus heeft de ondernemingskamer hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd. Indien zij haar oordeel erop heeft gebaseerd dat de toelichting op de jaarrekening al die gegevens moet bevatten aan de hand waarvan het beleggende publiek de wijze van berekening van de waarde van de warrant en het conversierecht volledig op juistheid kan onderzoeken, heeft zij miskend dat als maatstaf geldt of de jaarrekening, voor zover haar aard dat toelaat, een zodanig inzicht geeft dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat als bedoeld in art. 2:362 lid 1 BW. Indien zij deze maatstaf niet heeft miskend, is haar oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De ondernemingskamer is zonder nadere motivering voorbijgegaan aan het gemotiveerde betoog van KPN (hiervoor in 5.6 samengevat), dat erop neerkomt dat een in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwde norm op grond waarvan de door de ondernemingskamer vereiste gegevens dienen te worden vermeld, hier niet bestaat. De door KPN gestelde - en door de ondernemingskamer in het midden gelaten - omstandigheden duiden, indien juist, erop dat de door de ondernemingskamer verlangde informatie in het onderhavige geval niet behoort tot hetgeen volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd is vereist met het oog op het in art. 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht dat de jaarrekening dient te geven. De […]”
r.o. 5.7.2