Hoge Raad · 24 februari 2006
Groepsvrijstelling artikel 2:403 BW en verkrijgbaarstelling jaarstukken aan obligatiehouders
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een vermogensbeheerder voor obligatiehouders wil de enkelvoudige jaarstukken van de debitrice van een obligatielening inzien, terwijl die debitrice is vrijgesteld op grond van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW. De Hoge Raad oordeelt dat het Fondsenreglement recht is in de zin van artikel 79 RO. Hij oordeelt dat onder jaarrekening en verslag dan de geconsolideerde stukken van de consoliderende groepsmaatschappij moeten worden verstaan, omdat het Europese recht alleen publicatie voorschrijft voor zover het nationale recht daartoe verplicht. Het beroep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“De vorderingen van ACM zijn door de voorzieningenrechter afgewezen en het hof heeft de tegen haar vonnis gerichte grieven verworpen. Hetgeen het hof daartoe heeft overwogen moet, voor zover dit in cassatie van belang is en betrekking heeft op het beschikbaar stellen van de enkelvoudige jaarstukken van AH, tegen de achtergrond van het in de feitelijke instanties gevoerde partijdebat aldus worden begrepen. Art. 2.1.20 aanhef, en onder g, van bijlage B bij het Fondsenreglement verplicht AH weliswaar zo spoedig mogelijk na verschijning de jaarrekening en het verslag voor de obligatiehouders gratis verkrijgbaar te stellen, maar deze bepaling houdt niet een zelfstandige verplichting in van AH tot het inrichten en openbaar maken van een jaarrekening overeenkomstig de voorschriften van titel 9 van boek 2 BW. Ingevolge art. 2:403 lid 1 is AH, wier financiële gegevens zijn geconsolideerd in de geconsolideerde jaarrekening van Ahold, die voor haar in 1985 een verklaring als bedoeld in onderdeel f van die bepaling heeft afgegeven, vrijgesteld van het opmaken en publiceren van een overeenkomstig de voorschriften van titel 9 van boek 2 BW ingerichte jaarrekening (rov. 4.3). Een redelijke uitleg van genoemd art. 2.1.20 aanhef, en onder g, brengt mee dat in een dergelijk geval onder jaarrekening en verslag in de zin van die bepaling moeten worden verstaan de geconsolideerde jaarrekening en het verslag van de consoliderende groepsmaatschappij, hier: Ahold (rov. 4.6). 3.4 De Hoge Raad ziet […]”
r.o. 3.3
“Op grond van art. 2 van de Regeling aanwijzing bevoegde autoriteiten Wet toezicht effectenverkeer 1995, (Stcrt. 250), zoals gewijzigd in 1996 (Stcrt. 251), welke Regeling haar grondslag vindt in art. 27 Wet toezicht effectenverkeer 1995, werd met - onder meer - het Fondsenreglement door Amsterdam Exchanges N.V., die daarbij handelde als de bevoegde autoriteit in de zin van de eerste drie hierna te noemen richtlijnen, uitvoering gegeven aan de richtlijnen 79/279/EEG, 80/390/EEG, 82/121/EEG (waarvan de teksten thans zijn samengebracht in richtlijn 2001/34/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd), 87/345/EEG en 90/211/EEG. Dit, gevoegd bij het feit dat het Fondsenreglement een naar buiten werkende, tot een ieder gerichte algemene regeling is die op behoorlijke wijze is bekend gemaakt, wettigt het oordeel dat het Fondsenreglement voldoet aan de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde criteria om van recht in de zin van art. 79 RO te kunnen spreken. Voormeld uitgangspunt van de klachten is dus juist. 3.6 De hiervoor in 3.4 genoemde onderdelen klagen over onjuistheid van de uitleg die het hof heeft gegeven aan art. 2.1.20, aanhef en onder g, van Bijlage B bij het Fondsenreglement in het zich hier voordoende geval dat voor de debitrice van de obligatielening de groepsvrijstelling van art. […]”
r.o. 3.5
“Voor zover deze onderdelen het hof verwijten te hebben geoordeeld dat AH niet verplicht is "tot verkrijgbaarstelling van een door haar ex art. 2:101 lid 1 jo art. 2:403 lid 1 sub a BW op te maken jaarrekening" missen zij feitelijke grondslag aangezien een zodanig, buiten het door partijen aan het hof ter beslechting voorgelegde geschil vallend, oordeel in de bestreden uitspraak niet te lezen valt. Voor het overige falen deze onderdelen. Bij de aanpassing van het jaarrekeningenrecht aan de richtlijn 83/349/EEG heeft, zoals nader uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.44 - 2.46, de wetgever in 1988 ervoor gekozen de groepsvrijstelling van art. 2:403 BW, anders dan voorheen het geval was, ook te laten gelden voor geconsolideerde groepsmaatschappijen die zelfstandig ter beurze genoteerde effecten hebben uitgegeven. Voor een uitleg van art. 2.1.20, aanhef en onder g, van Bijlage B bij het Fondsenreglement die aan deze keuze zijn effect zou ontnemen, zou slechts grond bestaan indien de regels van gemeenschapsrecht die thans zijn samengebracht in richtlijn 2001/34/EEG daartoe zouden dwingen. Dit is echter niet het geval, nu die regels verkrijgbaarstelling van jaarrekening en jaarverslag voor het publiek slechts voorschrijven voor zover het nationale recht tot publicatie van die stukken verplicht. De voor een geval als het onderhavige door het hof aan de genoemde bepaling van het Fondsenreglement gegeven uitleg, welke strookt met het bepaalde in art. 2:403 BW, […]”
r.o. 3.7