Hoge Raad · 30 juni 2006
Intrekking preferente aandelen Unilever: geen afbreuk aan rechten ex artikel 2:99 lid 5 BW
- Enquêterecht
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Houders van preferente aandelen verzochten de OK om een enquête en voorzieningen, omdat de vennootschap weigerde het besluit tot intrekking van die aandelen aan hen ter goedkeuring voor te leggen. De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van afbreuk aan rechten in de zin van artikel 2:99 lid 5 BW, nu de statuten bij uitgifte al voorzagen in intrekking met terugbetaling. De weigering geeft dus geen reden tot twijfel aan een juist beleid.
Kernoverwegingen
“Onderdeel 1.1 keert zich met een rechts- en een motiveringsklacht tegen het in rov. 3.12 gegeven oordeel - dat steunt op hetgeen in rov. 3.5-3.11 is overwogen - dat er geen reden is om aan een juist beleid te twijfelen. Het onderdeel is gericht tegen de, in het bijzonder in rov. 3.8 en 3.9 tot uitdrukking gebrachte, rechtsopvatting van de ondernemingskamer dat aan de rechten van Mellon c.s. geen afbreuk is gedaan als bedoeld in art. 2:99 lid 5 BW. In het onderdeel wordt betoogd dat de ondernemingskamer aldus heeft miskend dat in het geval de vennootschap besluit tot intrekking van aandelen, de betrokken aandeelhouder per definitie in zijn rechten wordt geschaad, omdat het besluit tot intrekking de beëindiging van het aandeelhouderschap meebrengt en hem daardoor alle rechten terzake worden ontnomen. Onderdeel 1.2 voegt hieraan toe dat zulks temeer geldt in een geval als het onderhavige, waarin (a) door een onderneming aandelen worden ingetrokken tegen betaling van de in de statuten voorziene rekenwaarde, terwijl aandeelhouders als Mellon c.s. - naar in cassatie veronderstellenderwijs moet worden aangenomen - ervan mochten uitgaan dat die onderneming zich had verbonden om de uitgegeven preferente aandelen na een gegeven periode tegen een tevoren vastgestelde hogere prijs van houders van deze aandelen te kopen, en/of (b) als gevolg van mededelingen van Unilever verwarring is ontstaan over de wijze waarop en tegen betaling van welk bedrag de preferente aandelen zouden worden […]”
r.o. 3.3.1
“De onderdelen falen. Van "afbreuk aan rechten" als bedoeld in art. 2:99 lid 5 BW - welk begrip blijkens de wetsgeschiedenis restrictief dient te worden uitgelegd - is geen sprake in een geval als het onderhavige, waarin ten aanzien van de preferente aandelen op de voet van art. 2:99 lid 2 BW in de statuten is bepaald dat zij kunnen worden ingetrokken met terugbetaling en de intrekking met terugbetaling van de na conversie resterende rekenwaarde plaatsvindt op de wijze als vóór de uitgifte van de aandelen in de statuten is voorzien. Reeds bij uitgifte van deze aandelen maakte van de aan het aandeelhouderschap verbonden rechten en verplichtingen deel uit de bevoegdheid van Unilever het aandeel op de in haar statuten voorziene wijze in te trekken, zodat de uitoefening van deze bevoegdheid aan de rechten van Mellon c.s. als houders van de preferente aandelen geen afbreuk kan doen in de zin van art. 2:99 lid 5 BW. Unilever was derhalve in het onderhavige geval niet uit hoofde van het bepaalde in art. 2:99 lid 5 BW gehouden het besluit tot intrekking van de preferente aandelen ter goedkeuring voor te leggen aan de preferente aandeelhouders. De ondernemingskamer heeft dan ook terecht geoordeeld dat het in de onderdelen verdedigde, andersluidende, standpunt van Mellon c.s. niet kan dienen als grond voor haar stelling dat de weigering van Unilever het besluit tot intrekking ter goedkeuring voor te leggen aan de preferente aandeelhouders reden oplevert voor twijfel aan een juist […]”
r.o. 3.3.2