Hoge Raad · 17 november 2006
Feitelijk bestuurder aansprakelijk voor faillissementstekort ex artikel 2:248 BW
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator stelt de feitelijk bestuurder van een failliete besloten vennootschap aansprakelijk voor het faillissementstekort op grond van artikel 2:248 BW. De Hoge Raad oordeelt dat de door het hof vastgestelde omstandigheden, zoals een algehele volmacht, het ondertekenen van jaarstukken en het aangaan van leningen, tezamen voldoende zijn om de betrokkene als feitelijk bestuurder aan te merken. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“In deze zaak, waarin de curator [eiser] als feitelijk bestuurder van Bonbosch B.V. op grond van art. 2:248 BW aansprakelijk heeft gesteld voor het faillissementstekort, kan worden uitgegaan van de feiten die onder 1.1-1.6 zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3.2.1 Middel IV, dat als eerste zal worden behandeld, is gericht tegen het oordeel van het hof dat [eiser] op grond van de in rov. 4.4.1 van het tussenarrest vermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, dient te worden aangemerkt als feitelijk bestuurder in de zin van art. 2:248 lid 7 BW. Het klaagt dat de in genoemde rechtsoverweging onder a) en b) vermelde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan buiten de in art. 2:248 lid 6 BW genoemde periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement en derhalve niet aan het bestreden oordeel kunnen bijdragen, terwijl de overige, onder c) tot en met g) vermelde feiten en omstandigheden voor dat oordeel niet toereikend zijn. 3.2.2 Het middel faalt reeds omdat ook die laatstbedoelde feiten en omstandigheden, te weten, kort gezegd: c) dat de statutair directeur bij zijn aantreden in mei 1991 aan [eiser] een algehele volmacht heeft verstrekt ten behoeve van de bedrijfsvoering van Bonbosch B.V., zelf slechts enkele keren per jaar op kantoor kwam, terwijl [eiser] daar vrijwel steeds aanwezig was; d) dat de gedeponeerde jaarstukken over 1993 door [eiser] zijn ondertekend; e) dat [eiser] leningen ten name van Bonbosch B.V. heeft […]”
r.o. 3.1
“Middel IV, dat als eerste zal worden behandeld, is gericht tegen het oordeel van het hof dat [eiser] op grond van de in rov. 4.4.1 van het tussenarrest vermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, dient te worden aangemerkt als feitelijk bestuurder in de zin van art. 2:248 lid 7 BW. Het klaagt dat de in genoemde rechtsoverweging onder a) en b) vermelde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan buiten de in art. 2:248 lid 6 BW genoemde periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement en derhalve niet aan het bestreden oordeel kunnen bijdragen, terwijl de overige, onder c) tot en met g) vermelde feiten en omstandigheden voor dat oordeel niet toereikend zijn. 3.2.2 Het middel faalt reeds omdat ook die laatstbedoelde feiten en omstandigheden, te weten, kort gezegd: c) dat de statutair directeur bij zijn aantreden in mei 1991 aan [eiser] een algehele volmacht heeft verstrekt ten behoeve van de bedrijfsvoering van Bonbosch B.V., zelf slechts enkele keren per jaar op kantoor kwam, terwijl [eiser] daar vrijwel steeds aanwezig was; d) dat de gedeponeerde jaarstukken over 1993 door [eiser] zijn ondertekend; e) dat [eiser] leningen ten name van Bonbosch B.V. heeft aangegaan; f) dat hij ten name van Bonbosch B.V. een leasecontract heeft afgesloten voor een door hemzelf te gebruiken auto; en g) dat hij heeft beslist dat een op de dag van het faillissement van Lagro B.V. door Bonbosch B.V. ontvangen bedrag niet aan de curator werd terugbetaald en […]”
r.o. 3.2.1
“Het middel faalt reeds omdat ook die laatstbedoelde feiten en omstandigheden, te weten, kort gezegd: c) dat de statutair directeur bij zijn aantreden in mei 1991 aan [eiser] een algehele volmacht heeft verstrekt ten behoeve van de bedrijfsvoering van Bonbosch B.V., zelf slechts enkele keren per jaar op kantoor kwam, terwijl [eiser] daar vrijwel steeds aanwezig was; d) dat de gedeponeerde jaarstukken over 1993 door [eiser] zijn ondertekend; e) dat [eiser] leningen ten name van Bonbosch B.V. heeft aangegaan; f) dat hij ten name van Bonbosch B.V. een leasecontract heeft afgesloten voor een door hemzelf te gebruiken auto; en g) dat hij heeft beslist dat een op de dag van het faillissement van Lagro B.V. door Bonbosch B.V. ontvangen bedrag niet aan de curator werd terugbetaald en dat ter zake een kansloos verweer werd gevoerd, tezamen genomen geen ander oordeel toelaten dan dat waartoe het hof gekomen is. 3.3 De in de overige middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,--voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. […]”
r.o. 3.2.2