Hoge Raad · 2 maart 2007
Nutsbedrijf Westland
Samenloop artikel 2:9 BW en onrechtmatige daad bij schadevordering tegen oud-bestuurder
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een vennootschap vordert op grond van onrechtmatige daad schadevergoeding van een oud-bestuurder en drie oud-werknemers wegens belangenverstrengeling. De Hoge Raad overweegt dat de artikelen 2:9 en 7:661 BW ook van toepassing zijn bij een onrechtmatige daad die verband houdt met de taakvervulling. Eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een onrechtmatige daad, en pas daarna welke aansprakelijkheidsmaatstaf geldt. Het arrest van het hof wordt vernietigd.
Kernoverwegingen
“Het hof heeft in rov. 2 en 3 van het bestreden arrest overwogen: "2. Door [verweerder 1] en [verweerder 2] is bij MvA tegengeworpen dat het beroep op art. 2:9 BW een onaanvaardbare ommezwaai is, strijdig met de eisen van een goede procesorde, nu over een opzettelijk verwijtbaar tekortschieten als daar geformuleerd in eerste aanleg niets is gesteld. NBW heeft in prima bewust gekozen voor beoordeling van de zaak op basis van onrechtmatige daad; er is dan geen ruimte meer voor een ambtshalve taak van de rechter. Aldus het verweer. 3. Door [verweerder 3] en [verweerder 4] is tegengeworpen dat NBW in het bevoegdheidsincident - en ook verder in de procedure - uitdrukkelijk gekozen had voor de grondslag onrechtmatige daad teneinde te ontkomen aan de exclusieve bevoegdheid van de Kantonrechter, en dat het dan niet aangaat om vervolgens van de Rechtbank toch te verlangen om - ambtshalve ex art. 25 Rv - de arbeidsrechtelijke bepalingen toe te passen." Mede in het licht van de vermelding door het hof van deze verweren moet hetgeen het hof in rov. 5 overweegt zo worden begrepen dat naar het oordeel van het hof een wijziging door NBW in hoger beroep van de grondslag van haar vordering tegen [verweerder 1], zoals die wijziging onmiskenbaar besloten ligt in het betoog van NBW in het kader van grief I en door [verweerder 1] ook klaarblijkelijk als zodanig is begrepen, in strijd was met de eisen van een goede procesorde omdat NBW, teneinde haar vordering aan de rechtbank te kunnen […]”
r.o. 3.3.4
“Bij de beantwoording van deze vraag moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 2:9 BW houdt een norm in voor het handelen van een bestuurder van een rechtspersoon bij de vervulling van de hem opgedragen taak. In de rechtspraak is aangenomen dat aansprakelijkheid wegens schending van die norm slechts bestaat indien de bestuurder van zijn handelen een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Art. 7:661 BW bevat een norm ter zake van de vergoeding van schade die door de werknemer aan de werkgever of aan een derde is toegebracht bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Eerst indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, is hij jegens de werkgever aansprakelijk voor de door hem toegebrachte schade. De beide bepalingen impliceren dus een beperking van de aansprakelijkheid van de bestuurder respectievelijk werknemer voor schade die zij, kort gezegd, binnen de uitoefening van hun werkzaamheden, hebben toegebracht. De reikwijdte van die bepalingen is evenwel niet beperkt tot vorderingen die zijn gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis die voor de bestuurder respectievelijk werknemer voortvloeit uit zijn (arbeids)overeenkomst. Zij zullen evenzeer toepassing kunnen en moeten vinden indien, onafhankelijk van een dergelijke toerekenbare tekortkoming, sprake is van een onrechtmatige daad die is begaan bij de taakvervulling van de bestuurder respectievelijk bij de uitvoering door de werknemer van de arbeidsovereenkomst. […]”
r.o. 3.4.4
“Op grond van het voorgaande en in het licht van de grieven van NBW, meer in het bijzonder grief II (zie hierboven in 3.4.1), diende het hof, afgezien van de voor de aansprakelijkheid van [verweerder 1] als bestuurder in hoger beroep primair gekozen arbeidsrechtelijke grondslag, op de door NBW aangevoerde grondslag onrechtmatige daad, de vraag te beantwoorden (a) of onafhankelijk van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis die voor de bestuurder respectievelijk werknemer voortvloeit uit zijn (arbeids)overeenkomst, sprake was van een onrechtmatige daad van [verweerder] c.s. en, zo ja, (b) wat ter bepaling van de aansprakelijkheid van [verweerder] c.s. , de in art. 2:9 respectievelijk art. 7:661 BW neergelegde maatstaven meebrengen. 3.4.6 Uit het vorenoverwogene volgt dat het hof, gesteld voor de zojuist genoemde vraag, in rov. 7 heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting. Dat art. 2:9 BW of art. 7:661 BW een "stringentere" maatstaf bevat dan art. 6:162 BW is immers, anders dan het hof oordeelde, niet beslissend voor het antwoord op de vraag onder (a) terwijl het heeft miskend dat eerst nadat die vraag zou zijn beantwoord, de vraag onder (b), betreffende de aan te leggen maatstaven, aan de orde zou komen. Voorts heeft het hof ten onrechte in dit verband betekenis gehecht aan de omstandigheid dat [verweerder] c.s., dat wil zeggen: [verweerders 2 t/m 4] (zie hiervoor in 3.3.4), van de (kanton)rechter zouden zijn afgetrokken en dat een feitelijke […]”
r.o. 3.4.5