← Week 16

Hoge Raad · 20 april 2007

Ontslag en schorsing stichtingsbestuurder ex artikel 2:298 BW wegens ongeoorloofde uitkeringen

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Het openbaar ministerie verzocht ontslag en schorsing van stichtingsbestuurders wegens wanbeheer, vanwege forse betalingen aan bestuursleden in strijd met de statuten. De Hoge Raad oordeelt dat een tijdelijke schorsing en benoeming bij ernst of spoedeisendheid zonder voorafgaand verhoor mogelijk is, mits dit later alsnog wordt getoetst. Het ontslag blijft in stand.

Kernoverwegingen

“Onderdeel I.2 wordt eveneens tevergeefs voorgesteld. Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat een verzoek ingevolge art. 2:298 lid 2 BW tot het treffen van voorlopige voorzieningen als de onderhavige nimmer kan worden toegewezen zonder dat de betrokken bestuurder vooraf is gehoord, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is. In het algemeen dient de rechter niet te beslissen zonder een dergelijk verhoor vooraf. Het bepaalde in art. 19 Rv. of art. 6 EVRM staat echter niet eraan in de weg dat de rechter met het oog op de ernst van de aan het verzoek tot schorsing van een bestuurder en benoeming van een tijdelijk bestuurder ten grondslag gelegde feiten of de spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen, tot het treffen daarvan overgaat zonder de betrokken bestuurder vooraf te horen. Bij de verdere behandeling van het verzoek tot ontslag van de voorlopig geschorste bestuurder dient de rechter dan, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, te beoordelen of de gronden tot het treffen van de voorlopige voorzieningen en de noodzaak tot het handhaven daarvan nog steeds bestaan, en zijn oordeel dienaangaande, indien hetgeen de geschorste bestuurder in dat verband aanvoert daartoe aanleiding geeft, nader te motiveren. Het hof, dat aan het slot van rov. 3.4 overwoog dat [verzoeker] op een later tijdstip in eerste aanleg en in appel in de gelegenheid is geweest zijn standpunt met betrekking tot de voorlopige voorziening kenbaar te […]”

r.o. 3.3.3

“Het middel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof in rov. 3.12 komt erop neer dat door bestuursleden zeer substantiële, als schenkingen aangeduide uitkeringen van de Stichting zijn ontvangen waar, anders dan bij de in het verleden betaalde en destijds kostendekkende vergoedingen, geen reële onkosten tegenover stonden. Dergelijke (op de periode tot 19 december 2000 betrekking hebbende) uitkeringen zijn volgens het hof in strijd met de expliciete uitsluiting van geldelijk voordeel voor de bestuursleden in de tot 19 september 2000 geldende statuten. Voorts overwoog het hof dat zelfs in het geval dat moet worden aangenomen dat deze uitkeringen, waaronder de als schenking aangeduide betaling aan [verzoeker] van ƒ 105.000,-- op 19 december 2000, betrekking hadden op de periode na de statutenwijziging van 19 september 2000, die uitkeringen moeten worden gezien als vergoedingen die losstaan van enige activiteit als bestuurder. Gelet op de omvang daarvan kan voor deze vergoedingen evenmin enige rechtvaardiging worden gevonden, mede gezien het feit dat de Stichting noch op dat moment, noch nadien, over een reglement beschikte waarin voorzien wordt in een grondslag voor betalingen van die omvang aan bestuurders. Nu volgens het hof derhalve de statuten vóór de wijziging op 19 september 2000 elk geldelijk voordeel zoals de onderhavige uitkeringen voor bestuurders uitsluiten en na die datum slechts spreken over de - niet gebruikte - […]”

r.o. 3.4.2

“De in onderdeel II.6 bedoelde aan de Stichting uitgebrachte fiscale adviezen van Ernst & Young en Ruitenbeek heeft het hof besproken in verband met het verweer van [verzoeker] dat, gelet op die adviezen, wel degelijk verschil van mening mogelijk was over de vraag of de statuten betalingen ter honorering van in het verleden verrichte werkzaamheden toelieten. Het hof heeft dat beroep verworpen op de grond dat deze adviezen zich beperken tot een fiscale analyse van de voorgenomen betalingen, en ten aanzien van de vraag naar de civielrechtelijke toelaatbaarheid van die betalingen hooguit een voorbehoud of een waarschuwing bevatten. Verder oordeelde het hof dat, mede gezien het feit dat het bestuur net in deze periode en juist ook ten aanzien van het onderwerp betalingen aan bestuursleden is overgegaan tot wijziging van de statuten, het bestuur zich had kunnen en moeten realiseren dat de voorgenomen betalingen niet toelaatbaar waren, en dat dit onverschoonbaar handelen in strijd met de statuten door [verzoeker] een zelfstandig en voldoende ernstig verwijt oplevert dat ontslag als bestuurder rechtvaardigt. Door het verweer van [verzoeker] op grond van deze overwegingen te verwerpen, heeft het hof geen blijk gegeven van miskenning van de hiervoor bedoelde maatstaf. 3.4.4 Het bestreden oordeel van het hof, dat is verweven met waarderingen van feitelijke aard, is voorts toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Voorzover het berust op de aan het hof als feitenrechter […]”

r.o. 3.4.3

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2007:AZ9324
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
20 april 2007
Datum publicatie
20 april 2007
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:298 BW, 2:285 BW, 2:302 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 16 van 2007

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.