Hoge Raad · 20 juni 2008
Asbestverontreiniging bedrijfsterrein; koopovereenkomst; 2:403-verklaringen slechts feitelijk genoemd
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Een koper van een bedrijfsterrein vordert schadevergoeding wegens asbestverontreiniging van de bodem en het ontbreken van de eigenschappen voor woningbouw. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de verkoper en diens rechtsopvolgers. Boek 2 speelt alleen een rol doordat twee vennootschappen op grond van verklaringen als bedoeld in artikel 2:403 BW in de procedure waren betrokken.
Kernoverweging
“In dit geding vordert Archon - voorzover thans van belang - de hoofdelijke veroordeling van PontMeyer c.s. tot vergoeding van de schade die Archon heeft geleden en nog zal lijden door de verontreiniging met asbest van de bodem van het bedrijfsterrein. Archon heeft naast PontMeyer ook nog Ponteecen N.V. (thans genaamd PontMeyer N.V.) en PontMeyer B.V. (thans genaamd PontMeyer Handelsbedrijven B.V.) in deze procedure betrokken, zulks op grond van door deze vennootschappen afgelegde verklaringen ex art. 2:403 BW. Deze vennootschappen zijn echter geen partij bij de overeenkomst met Archon geweest. Het hof spreekt niettemin hier en daar over "PontMeyer c.s.", waar het slechts gaat om de positie van PontMeyer als contractspartij. Deze vergissing is echter niet van belang voor 's hofs beslissing. De rechtbank heeft in een tussenvonnis geoordeeld dat PontMeyer c.s. gehouden zijn de voor Archon uit de asbestvervuiling voortvloeiende schade te vergoeden. PontMeyer c.s. hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Dit heeft geleid tot het tussenarrest waartegen het onderhavige cassatieberoep is gericht. 3.3 Het hof heeft in dat tussenarrest, voorzover in cassatie van belang, de volgende beslissingen gegeven. (1) In rov. 4.5-4.5.1 heeft het hof geoordeeld, dat ten tijde van de verkoop en levering van het bedrijfsterrein het bepaalde in art. 4.41 Arbeidsomstandighedenbesluit meebracht dat Archon op de gekochte grond pas bouwwerkzaamheden kon laten verrichten nadat deze asbesthoudende […]”
r.o. 3.2