Hoge Raad · 27 februari 2009
Stichting Waaldijk
Misbruik van identiteitsverschil tussen stichtingen en oprichter; onrechtmatige daad jegens crediteuren
- Overig Boek 2
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator vordert van een stichting schadevergoeding uit onrechtmatige daad, omdat een constructie met twee stichtingen het woonhuis van de gefailleerde oprichter aan verhaal van crediteuren onttrekt. De Hoge Raad bevestigt dat misbruik van het identiteitsverschil tussen rechtspersonen en de natuurlijke persoon die hen beheerst onrechtmatig is en dat diens oogmerk ook aan de rechtspersonen wordt toegerekend. Het is niet vereist dat het goed ooit juridisch tot het vermogen van de oprichter behoorde. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“Rechtbank en hof hebben die vraag bevestigend beantwoord. Het hof heeft blijkens rov. 4.2 - in cassatie terecht niet bestreden - het volgende tot uitgangspunt genomen. Door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, kan misbruik worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen of tussen deze rechtspersonen en hemzelf als handelend natuurlijk persoon. Hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, behoeft in rechte niet te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf (vgl. HR 13 oktober 2000, C98/377, NJ 2000, 698). Voorts heeft het hof in rov. 4.4 de grond waarop de curator [betrokkene 1] verwijt het hiervoor bedoelde misbruik te hebben gemaakt, aldus aangeduid dat [betrokkene 1] in de periode 1991-1993 de eigendomsconstructie in het leven heeft geroepen en vervolgens heeft onderhouden, welke uitsluitend tot doel had en heeft het door hem in 1991 verworven woonhuis, waarover […]”
r.o. 3.2.2
“Deze opvatting is onjuist en reeds daarom falen de middelen. Anders dan daaraan ten grondslag ligt, is het immers niet een noodzakelijke voorwaarde dat het woonhuis ooit aan [betrokkene 1] in juridische eigendom heeft toebehoord, om te kunnen oordelen dat sprake is van het hiervoor bedoelde, jegens de crediteuren van [betrokkene 1] onrechtmatige misbruik van het identiteitsverschil tussen de stichtingen onderling en tussen de stichtingen en [betrokkene 1]. Van een dergelijk misbruik kan ook sprake zijn indien iemand een goed waarvan hij alle voordelen geniet met gebruikmaking van dat identiteitsverschil buiten zijn vermogen brengt of houdt zonder daarmee een zelfstandig belang van de betrokken rechtspersoon of -personen te dienen, maar enkel met het oogmerk dat goed aan verhaal van zijn crediteuren te onttrekken. Het oordeel van het hof houdt in dat dit geval zich hier voordoet. 3.3.3 Voor zover de middelen I en II meer in het bijzonder de daartoe door het hof in rov. 4.6 - 4.9 en 4.13 - 4.15 gebezigde gronden bestrijden, kunnen zij niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt de [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is […]”
r.o. 3.3.2