Hoge Raad · 24 april 2009
AFM-verzoek tot wijziging jaarrekening 2006 Spyker afgewezen; maatstaf en stelplicht
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
De AFM verzocht de OK de jaarrekening 2006 van een effectenuitgevende instelling te vernietigen en wijziging te bevelen wegens strijd met de IFRS. De Hoge Raad bevestigt de afwijzing: de OK hoeft niet bij iedere afwijking van de voorschriften een bevel te geven als de jaarrekening ondanks ondergeschikte tekortkomingen het vereiste inzicht en een getrouw beeld geeft. Ook voor de AFM gelden de gewone regels van stelplicht en bewijslast.
Kernoverwegingen
“Dit stond de ondernemingskamer vrij. De lidstaten dienen weliswaar met betrekking tot de IFRS zorg te dragen voor een passend en rigoreus handhavingsstelsel, doch dit betekent niet dat de ondernemingskamer verplicht zou zijn bij iedere afwijking van de IFRS een bevel als hiervoor bedoeld te geven. De ondernemingskamer mag het verzoek van de AFM tot het geven van een zodanig bevel afwijzen als zij tot de conclusie komt dat een redelijke uitleg van de IFRS en een redelijke toepassing daarvan ertoe leiden dat de jaarrekening het vereiste inzicht verschaft en een getrouw beeld geeft van het vermogen en van het resultaat, ook als op enkele punten (van ondergeschikt belang) niet (geheel) aan de voorschriften is voldaan. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de effectenuitgevende instelling binnen het wettelijk kader een zekere mate van keuzevrijheid heeft bij het inrichten van de jaarrekening, en dat de ondernemingskamer in een geval als het onderhavige moet beoordelen of de in het Financieel Verslag opgenomen waarderingen en schattingen in het licht van de daarop betrekking hebbende voorschriften en de in verband daarmee (door de AFM) gemaakte bezwaren aanvaardbaar zijn. 3.4.4 Uit de beschikking van de ondernemingskamer blijkt dat zij de in IAS 1.13 bedoelde maatstaf (dat de jaarrekening een getrouw beeld moet geven van de financiële positie, de financiële prestaties en de kasstromen van de rechtspersoon) aan haar beoordeling ten grondslag heeft gelegd en dat zij van […]”
r.o. 3.4.3
“In de kern nemen alle klachten van onderdeel 5 tot uitgangspunt dat de ondernemingskamer een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het begrip materialiteit, en in het bijzonder IAS 1.31 te ruim heeft uitgelegd of toegepast. Dit uitgangspunt kan niet worden aanvaard, omdat de ondernemingskamer in rov. 3.41 de door de AFM onderschreven juiste maatstaf heeft vooropgesteld en vervolgens alle door de AFM aangevoerde bezwaren aan deze maatstaf heeft getoetst, waarbij de ondernemingskamer (in rov. 3.59) tot de conclusie is gekomen dat op enkele punten inderdaad sprake is van tekortkomingen, die evenwel van zodanig gering belang zijn dat niet kan worden gezegd dat het Financieel Verslag 2006 in zijn geheel dan wel de jaarrekening 2006 (of overige gegevens) als onderdeel daarvan niet voldoet of voldoen aan hetgeen op grond van de wet en de IFRS is vereist. Daarmee heeft de ondernemingskamer tot uitdrukking gebracht dat geen sprake is van het weglaten of onjuist weergeven van informatie die voor het geven van het vereiste getrouwe beeld van belang is. Dat Spyker aan de AFM heeft toegezegd in de toekomst het Financieel Verslag op een aantal - met name de toelichtingseisen betreffende - punten aan te passen, is blijkens rov. 3.59 in dit verband slechts in zoverre van belang geweest dat de ondernemingskamer daarin kennelijk mede reden zag het geven van specifieke aanwijzingen ook met het oog op toekomstige jaarrekeningen van Spyker achterwege te laten. 3.5.6 De oordelen van de […]”
r.o. 3.5.5
“Al deze klachten stuiten af op het volgende. Met de omzetting van de jaarrekeningprocedure van een met een dagvaarding ingeleide procedure in een verzoekschriftprocedure heeft de wetgever - naar valt af te leiden uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wtfv en van art. 2:447 BW, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.33, 3.34 en 3.36 - niet bedoeld de ingevolge art. 284 lid 1 toepasselijke bepalingen van titel 2, afdeling 9, van Boek 1 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering opzij te zetten. De regels van stelplicht en bewijslast zijn ook op deze procedure van toepassing voorzover de aard ervan zich daartegen niet verzet. De aard van deze procedure brengt mee dat degene die een verzoek als bedoeld in art. 2:447 doet, aan dit verzoek de nodige feiten ten grondslag legt waaruit de toewijsbaarheid kan volgen en, bij gemotiveerde betwisting, deze feiten ook voldoende aannemelijk maakt. Op grond van het bepaalde in art. 24 Rv. mag de ondernemingskamer aan haar beslissing geen andere feiten ten grondslag leggen dan de feiten die partijen in deze procedure aan het verzoek en het verweer ten grondslag hebben gelegd. De enkele omstandigheid dat de AFM een publiekrechtelijke taak vervult, rechtvaardigt niet het maken van een uitzondering op deze regels voor zover het gaat om haar positie als verzoeker of belanghebbende in de jaarrekeningprocedure. Ook het feit dat een publiek belang aan de orde is, kan geen grond zijn voor de uitzonderingen welke […]”
r.o. 3.6.2