Hoge Raad · 26 maart 2010
Zandvliet/ING
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens bewerkstelligen contractbreuk door vennootschap; pandrecht staat schade niet in de weg
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een bank vordert van de bestuurder van een vennootschap schadevergoeding uit onrechtmatige daad, omdat hij bewerkstelligde dat de vennootschap een schikkingsbedrag niet aanwendde voor aflossing van kredieten, zoals toegezegd. De Hoge Raad bevestigt dat de bestuurder een ernstig verwijt treft, omdat het niet nakomen voortkwam uit betalingsonwil jegens de bank. Het pandrecht van de bank op de vordering op de derde laat de schade en de aansprakelijkheid van de bestuurder onverlet.
Kernoverwegingen
“De klachten falen. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk en het is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Het hof heeft door te onderzoeken of [eiser] persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken doordat hij, terwijl hij wist dat Standard niet over andere inkomstenbronnen beschikte en hem duidelijk was of behoorde te zijn dat Standard geen verhaal zou bieden voor de verplichtingen van de vennootschap jegens ING, heeft bewerkstelligd dat Standard haar contractuele verplichting tegenover ING tot aflossing van de kredieten niet nakwam, de maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder niet miskend. Bij zijn oordeel dat een zodanig ernstig verwijt op zijn plaats was, heeft het hof niet eraan voorbijgezien dat het een bestuurder in beginsel vrijstaat op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan, maar geoordeeld dat het niet nakomen van de betalingsverplichting uit hoofde van de nadere overeenkomst slechts voortkwam uit betalingsonwil van de kant van [eiser] jegens ING. Weliswaar heeft [eiser] in dit verband aangevoerd dat hij niet heeft ingestemd met de betaling van ƒ 410.000,- aan de andere 50% aandeelhouder van Standard en dat hij daarvan niet op de hoogte was, maar kennelijk heeft het hof die stelling niet opgevat als voldoende onderbouwd. Dat op de aan het hof […]”
r.o. 4.1.2
“In cassatie moet uitgangspunt zijn dat ING als pandhouder nog WNF kan aanspreken tot betaling van het aan Standard verschuldigde. Dat pandrecht strekt ertoe ING extra zekerheid te bieden ingeval Standard de kredieten niet aflost, maar laat op zichzelf een vordering van ING jegens Standard tot nakoming van haar toezegging om het van WNF te ontvangen bedrag aan ING ten goede te laten komen (dan wel tot vergoeding van schade wegens niet-nakoming van die toezegging) onverlet. Hetzelfde geldt met betrekking tot de vordering van ING jegens [eiser] uit hoofde van onrechtmatige daad. Daarbij verdient in de eerste plaats opmerking dat de op [eiser] te verhalen schade van ING niet erin bestaat (zoals het onderdeel tot uitgangspunt neemt) 'dat zij geen verhaal heeft kunnen nemen op het verpande bedrag', maar daarin dat het vermogen van Standard geen verhaal bood voor de nadelige gevolgen van de niet-nakoming van haar toezegging het van WNF te ontvangen bedrag aan ING ten goede te laten komen. Voorts beroept het onderdeel zich niet op (miskenning van) een in feitelijke instanties gevoerd betoog dat ING, ter beperking van haar schade, redelijkerwijze eerst WNF uit hoofde van haar pandrecht had moeten aanspreken, zodat het hof ook niet gehouden was daaromtrent een oordeel te geven. Ten slotte verdient opmerking dat in het onderhavige geval - anders dan aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 1 maart 1957 waarop de toelichting van het onderdeel zich beroept - door het […]”
r.o. 4.2.2
“Onderdeel 3 bestrijdt in de eerste plaats met rechts- en motiveringsklachten het oordeel van het hof in rov. 2.12 dat het acht slaat op de vordering van ING op Standard uit ongerechtvaardigde verrijking. Het hof heeft, in cassatie tevergeefs bestreden, geoordeeld dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het door hem bewerkstelligde toerekenbare tekortschieten van Standard in de nakoming van de nadere overeenkomst, hierin bestaande dat het schikkingsbedrag niet aan ING is voldaan ter aflossing van de beide kredieten. Zoals al de rechtbank in rov. 5 van haar eindvonnis van 8 september 2004 - in zoverre in hoger beroep niet bestreden - heeft geoordeeld, is de toezegging van Standard niet beperkt tot het geval de 355-rekening een debetstand zou vertonen, ook al ging Standard ten tijde van de toezegging ervan uit dat deze rekening een substantiële debetstand vertoonde, die - naar moet worden aangenomen - (mede) was ontstaan als gevolg van de betalingen die nadien als ongeautoriseerd zijn aangemerkt, maar moet de toezegging aldus worden uitgelegd dat het schikkingsbedrag door Standard aan ING zou worden overgemaakt, ongeacht de grondslag waaruit de (onderliggende) verplichtingen van Standard jegens ING zouden voortvloeien, en houdt die toezegging in dat met het schikkingsbedrag het nog openstaande saldo op de 355-rekening zal worden afgelost en dat het overschot zal worden overgemaakt op de 200-rekening. Waar, zoals ook het hof heeft vastgesteld, het debetsaldo […]”
r.o. 4.3.1