← Week 25

Hoge Raad · 25 juni 2010

Enquête: overdracht aandelen buitenlandse enig aandeelhouder ten titel van beheer en rechtsmacht OK

  • Enquêterecht
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De OK ontsloeg een bestuurder wegens wanbeleid en beval de tijdelijke overdracht ten titel van beheer van de aandelen van de buitenlandse enig aandeelhouder. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 6 EVRM niet geldt voor het onderzoek tot de deponering van het verslag en dat de bevoegdheid van de OK niet op de EEX-Verordening maar op artikel 2:345 BW berust. Ook bij één aandeelhouder kan overdracht van aandelen worden bevolen als een patstelling doorwerkt in de AVA. Het beroep wordt verworpen.

Kernoverwegingen

“Verweerders gaan bij dit verweer terecht ervan uit dat ingevolge art. 3, aanhef en onder c, Wet conflictenrecht corporaties, de vraag of Worldwide in deze zaak rechtsgeldig door [verzoeker 1] is vertegenwoordigd bij het geven van de opdracht tot het instellen van cassatieberoep, dient te worden beantwoord naar Luxemburgs recht. Anders dan verweerders echter blijkbaar menen - zij beroepen zich in dit verband namelijk op art. 3:13 BW -, geldt dit ook voor de vraag of [verzoeker 1] bij het geven van de opdracht misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als indirect bestuurder van Worldwide en voor de vraag of dit misbruik tot gevolg zou hebben dat de opdracht niet rechtsgeldig namens Worldwide zou zijn gegeven. 5.2.2 Verweerders hebben niets aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat naar Luxemburgs recht het bestaan van een tegenstrijdig belang van [verzoeker 1] als indirect bestuurder van Worldwide met deze vennootschap meebrengt dat [verzoeker 1] niet bevoegd was via Management de opdracht te geven tot het instellen van cassatie namens Worldwide, dan wel dat naar Luxemburgs recht de omstandigheid dat [verzoeker 1] die opdracht heeft gegeven zonder de instemming van, althans overleg met zijn indirecte medebestuurder [verweerder 9], misbruik van bevoegdheid van [verzoeker 1] oplevert met bovendien het gevolg dat de door [verzoeker 1] via Management gegeven opdracht niet rechtsgeldig namens Worldwide zou zijn gegeven. Reeds daarom moet het verweer als […]”

r.o. 5.2.1

“Het onderdeel mist doel omdat het is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Zoals volgt uit EHRM 19 maart 2002, LJN AG8133, JOR 2002, 127 (Text Lite) mist het bepaalde in het eerste lid van art. 6 EVRM toepassing op de werkzaamheden van de onderzoeker tot aan het moment waarop het onderzoeksrapport ter griffie van de ondernemingskamer werd gedeponeerd, omdat bij die werkzaamheden geen sprake was van een vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen van [verzoeker 1] of Worldwide (vgl. HR 4 juni 1997, LJN AB8819, NJ 1997, 671 (Text Lite) en HR 10 januari 1990, LJN AC1234, NJ 1990, 466 (Ogem)). 6.2.1 De tezamen te behandelen onderdelen 3, 4 en 5 bestrijden het oordeel van de ondernemingskamer, in rov. 3.12, dat zij - en niet, zoals [verzoeker 1] en Worldwide hebben aangevoerd, een gerecht in Luxemburg - bevoegd is bij wijze van voorziening als bedoeld in art. 2:356, aanhef en onder e, BW de tijdelijke overdracht ten titel van beheer te bevelen van de door Worldwide in het geplaatste kapitaal van Europe gehouden aandelen. De klachten van de onderdelen berusten op de opvatting dat de vraag of aan de ondernemingskamer op dit punt rechtsmacht toekomt, dient te worden beantwoord op grond van de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening nu de genoemde voorziening Worldwide als aandeelhouder regardeert en Worldwide woonplaats heeft op Luxemburgs grondgebied. 6.2.2 Deze opvatting is evenwel onjuist. Nu zowel de vennootschappen ten aanzien waarvan de genoemde voorziening […]”

r.o. 6.1.2

“Deze opvatting is evenwel onjuist. Nu zowel de vennootschappen ten aanzien waarvan de genoemde voorziening is getroffen, als degenen die het treffen van de voorziening hebben verzocht, woonplaats hebben in Nederland, vindt voor de bevoegdheid van de ondernemingskamer om van de verzoeken kennis te nemen en de onderhavige voorziening te treffen niet de EEX-Verordening toepassing, maar art. 2:345 BW. Dat de onderhavige voorziening in haar gevolgen mede Worldwide in haar aandeelhoudersbelangen treft, maakt dit niet anders. Weliswaar vormt deze omstandigheid de grond voor de toelating van Worldwide als belanghebbende in de enquêteprocedure teneinde daarin op te komen voor haar belangen als aandeelhouder, maar zij is niet bepalend voor de bevoegdheid van de ondernemingskamer om in het kader van de enquêteprocedure de genoemde voorziening te treffen. Het voorgaande brengt mee dat de klachten van de onderdelen 3, 4 en 5 niet kunnen slagen. 6.3.1 Onderdeel 7 komt op tegen het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.10 van de bestreden beschikking dat het noodzakelijk is dat de door Worldwide gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van Europe tijdelijk ten titel van beheer worden overgedragen aan een onafhankelijke door de ondernemingskamer te benoemen persoon, zulks ter voorkoming van een patstelling in de algemene vergadering van aandeelhouders van Europe. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Uitgangspunt van deze in de wet […]”

r.o. 6.2.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BM0710
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
25 juni 2010
Datum publicatie
25 juni 2010
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:345 BW, 2:346 BW, 2:356 BW
Thema
Enquêterecht
Aangesproken
bestuurder
Weekoverzicht
Week 25 van 2010

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.