Hoge Raad · 26 november 2010
Exclusieve rechtsmacht overheidsrechter bij vernietiging vennootschapsbesluit versus arbitrage over opzegging managementovereenkomst
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een vennootschap beëindigde de managementovereenkomst met haar bestuurder, die een arbitragebeding bevat, en de bestuurder werd ontslagen. De bestuurder wilde dat de Nederlandse rechter ook oordeelt over de opzegging, omdat de exclusieve bevoegdheid voor vernietiging van vennootschapsbesluiten (artikel 2:15 lid 3 BW) zich zou uitstrekken tot de uitvoering van die besluiten. De Hoge Raad verwerpt dit: die exclusieve bevoegdheid strekt niet automatisch uit tot alle gevolgen en de uitvoering van het besluit, ook niet vanwege litispendentie of connexiteit.
Kernoverwegingen
“Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld, reeds omdat de opzegging van de MCA een door PW jegens SLF verrichte rechtshandeling is (gedaan bij brief van 3 november 2006) die wat haar geldigheid betreft niet afhankelijk is van het in stand blijven van het bestuursbesluit van 2 november 2006 dat op zichzelf geen externe werking heeft. Het in 3.3.1 onder c) mede bedoelde besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 27 november 2006 is genomen nadat de opzegging van de MCA heeft plaatsgevonden en kan derhalve op de opzegging van de MCA bij brief van 3 november 2006 geen invloed hebben gehad. 3.3.3 Het onderdeel, dat in de kern klaagt dat het hof het verband tussen het bestuursbesluit en de daarop volgende opzegging heeft miskend, berust voorts op de onjuiste rechtsopvatting dat de exclusieve bevoegdheid van de overheidsrechter met betrekking tot de beoordeling van de nietigheid of vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan van de vennootschap steeds meebrengt dat deze ook exclusief bevoegd is tot kennisneming van geschillen omtrent alle gevolgen van dat besluit en tot hetgeen ter uitvoering van dat besluit is geschied. Ook om die reden faalt het. 3.4.1 Onderdeel 2.2 keert zich klaarblijkelijk tegen hetgeen het hof (in rov. 4.15) heeft overwogen, namelijk dat het "rechtens niet noodzakelijk is in het kader van de beslechting van de desbetreffende geschillen uitspraken te doen over de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van besluiten van organen van de […]”
r.o. 3.3.2
“Het onderdeel, dat in de kern klaagt dat het hof het verband tussen het bestuursbesluit en de daarop volgende opzegging heeft miskend, berust voorts op de onjuiste rechtsopvatting dat de exclusieve bevoegdheid van de overheidsrechter met betrekking tot de beoordeling van de nietigheid of vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan van de vennootschap steeds meebrengt dat deze ook exclusief bevoegd is tot kennisneming van geschillen omtrent alle gevolgen van dat besluit en tot hetgeen ter uitvoering van dat besluit is geschied. Ook om die reden faalt het. 3.4.1 Onderdeel 2.2 keert zich klaarblijkelijk tegen hetgeen het hof (in rov. 4.15) heeft overwogen, namelijk dat het "rechtens niet noodzakelijk is in het kader van de beslechting van de desbetreffende geschillen uitspraken te doen over de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van besluiten van organen van de vennootschap" als bedoeld in art. 22, aanhef en onder 2, EEX-Vo en art. 2:15 lid 3 BW of over daaraan verbonden rechtsgevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat reeds de regels van litispendentie, althans connexiteit, en het belang tegenstrijdige uitspraken te voorkomen, ertoe nopen ook exclusieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan te nemen met betrekking tot geschillen die wat het onderwerp ervan betreft onlosmakelijk verbonden zijn met de bestreden besluiten van 2 en 27 november 2006. 3.4.2 Voor zover onderdeel 2.2 voortbouwt op […]”
r.o. 3.3.3
“Voor zover onderdeel 2.2 voortbouwt op onderdeel 2.1 faalt het eveneens. Ook overigens treft het onderdeel geen doel. Er bestaat geen grond te aanvaarden dat om redenen van litispendentie of connexiteit de exclusieve bevoegdheid van de Nederlandse (overheids)rechter zich ook uitstrekt tot de uitvoering van een besluit van een orgaan van de rechtspersoon in verband met de nauwe samenhang tussen dit besluit en hetgeen ter uitvoering daarvan is geschied. Het gaat immers om te onderscheiden geschilpunten die door uiteenlopende rechtsregels worden beheerst en die in beginsel door verschillende rechters kunnen worden beoordeeld, waarbij de ene rechter, zo nodig, rekening houdt met de beslissing van de andere rechter, zoals in dit geval ook is gebeurd doordat het hof in afwachting van de beslissing van de arbiters te Malmö de zaak heeft aangehouden. Van een onwenselijke opsplitsing van het geschil behoeft daarom geen sprake te zijn, terwijl nog opmerking verdient dat de onderhavige opsplitsing een gevolg is van de keuze van partijen een geschil over de rechtsgeldigheid van de beëindiging van de MCA door arbiters te doen beslechten. 3.5 Onderdeel 2.3 bouwt voort op de onderdelen 2.1 en 2.2 en moet in het lot daarvan delen. Onderdeel 2.4 bevat motiveringsklachten die uitgaan van de hiervoor in 3.3 al verworpen rechtsopvatting en daarom niet kunnen slagen. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt SLF in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak […]”
r.o. 3.4.2