Hoge Raad · 17 december 2010
Beëindiging van bevolen enquête na schikking tussen verzoekers en belanghebbenden
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Na een bevolen enquête bij een failliete vennootschap sluiten de oorspronkelijke verzoekers een schikking met alle verschenen belanghebbenden en vragen zij beëindiging van het onderzoek. De Hoge Raad oordeelt dat het enquêteverzoek na een beslissing met uitdrukkelijk dictum niet meer kan worden ingetrokken, maar dat beëindiging wel kan worden verzocht. Bij die beoordeling gaat het vooral om de belangen van de oorspronkelijke verzoekers en de rechtspersoon. Algemene belangen en belangen van derden wegen niet snel zwaarder. De Hoge Raad vernietigt de afwijzing en wijst terug voor de kostenbeslissing.
Kernoverwegingen
“Het onderdeel faalt, omdat het oordeel van de ondernemingskamer juist is. Een verzoek als bedoeld in de eerste volzin van art. 2:345 lid 1 BW strekt ertoe dat de ondernemingskamer een of meer personen benoemt tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. Door het bevel tot het instellen van een onderzoek en de benoeming van de (nader aan te wijzen) onderzoeker(s) heeft de ondernemingskamer met een uitdrukkelijk dictum op het verzoek beslist. Hoewel met deze beslissing nog geen einde wordt gemaakt aan de door het verzoek ingeleide procedure - dat gebeurt immers pas met de nederlegging van het verslag als bedoeld in art. 2:353 BW - is de beslissing op het verzoek wel een eindbeschikking, die alleen nog door een rechtsmiddel kan worden aangetast. De oorspronkelijke verzoekers kunnen hun verzoek derhalve in dit stadium van het geding niet meer op de voet van art. 283 Rv. intrekken. 4.1.3 Het vorenstaande neemt niet weg dat onder omstandigheden met betrekking tot de (wijze van) uitvoering van het onderzoek of de voortgang ervan nader dient te worden beslist. De meest gerede partij zal zich dan met een verzoek aangaande die uitvoering of voortgang tot de ondernemingskamer kunnen richten. Aangenomen moet worden dat tot de vorenbedoelde verzoeken ook behoort het verzoek tot beëindiging van een reeds bevolen onderzoek op de grond dat daaraan het belang is komen te ontvallen. 4.2.1 Onderdeel 2 keert zich tegen rov. 3.3, eerste alinea, […]”
r.o. 4.1.2
“Het vorenstaande neemt niet weg dat onder omstandigheden met betrekking tot de (wijze van) uitvoering van het onderzoek of de voortgang ervan nader dient te worden beslist. De meest gerede partij zal zich dan met een verzoek aangaande die uitvoering of voortgang tot de ondernemingskamer kunnen richten. Aangenomen moet worden dat tot de vorenbedoelde verzoeken ook behoort het verzoek tot beëindiging van een reeds bevolen onderzoek op de grond dat daaraan het belang is komen te ontvallen. 4.2.1 Onderdeel 2 keert zich tegen rov. 3.3, eerste alinea, en klaagt dat de ondernemingskamer heeft miskend dat de (bij de behandeling van het verzoek tot het houden van een enquête, niet verschenen) curatoren ingevolge art. 282 lid 1 Rv. in dit stadium van het geding niet meer als belanghebbenden konden worden toegelaten. 4.2.2 Het onderdeel faalt. Het ziet eraan voorbij dat, gelijk hiervoor in 4.1.2 is overwogen, met de beslissing op het verzoek tot het gelasten van een onderzoek nog geen einde wordt gemaakt aan de door het verzoek ingeleide procedure en dat in het kader van de (wijze van) uitvoering van het onderzoek of de voortgang ervan nadere verzoeken aan de ondernemingskamer kunnen worden gericht, waarop door de ondernemingskamer, na het horen van de, mogelijk eerst bij die gelegenheid verschenen belanghebbenden, wordt beslist. 4.3.1 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.3, tweede alinea, waarin de ondernemingskamer het verweer van Verzoekers heeft verworpen dat - kort gezegd - de […]”
r.o. 4.1.3
“Het onderdeel faalt. De ondernemingskamer heeft zijn oordeel dat de curatoren belanghebbenden zijn met name daarop gebaseerd dat een verzoek tot beëindiging van een door de ondernemingskamer bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een failliete rechtspersoon rechtstreeks het belang raakt van de faillissementscurator dat daarin is gelegen dat het onderzoeksverslag een rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of er grond is voor een aansprakelijkstelling op grond van wanbeleid en meer in het algemeen in het verkrijgen van openheid van zaken. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn. Voor zover het onderdeel uitgaat van de lezing dat de ondernemingskamer de curatoren in hun hoedanigheid van vertegenwoordigers van de vennootschap als belanghebbenden heeft beschouwd, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Deze lezing vindt immers geen steun in de bestreden beschikking. 4.5.1 Onderdeel 5 komt op tegen de afwijzing van het beëindigingsverzoek en klaagt dat die beslissing, berustende op hetgeen de ondernemingskamer in haar rov. 3.7 tot en met 3.11 heeft overwogen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. De subsidiaire rechtsklacht van het onderdeel (derde alinea van nr. 118) treft doel op grond van het volgende. 4.5.2 Bij de beoordeling van een beëindigingsverzoek als het onderhavige komt voornamelijk […]”
r.o. 4.4.2