← Week 35

Hoge Raad · 2 september 2011

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens betalingsonwil: onbegrijpelijk gemotiveerd oordeel hof vernietigd

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een leverancier stelde de bestuurder en enig aandeelhouder van een failliete vennootschap persoonlijk aansprakelijk uit onrechtmatige daad voor onbetaalde facturen, onder meer wegens betalingsonwil. Het hof wees de vordering af. De Hoge Raad vernietigt dat arrest omdat het oordeel dat de bestuurder tot 9 of 10 juli 1998 betaling had kunnen bewerkstelligen, onbegrijpelijk is in het licht van de verklaring van de bank waarnaar het hof zelf verwijst. De zaak wordt verwezen naar een ander hof.

Kernoverwegingen

“In het tegen dit vonnis door [verweerder] ingestelde beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, in conventie de vordering van [eiseres] afgewezen, en in reconventie [eiseres] veroordeeld tot vergoeding van de door [verweerder] geleden schade ten gevolge van onrechtmatige beslaglegging. Kort samengevat overwoog het hof in zijn tussenarrest van 30 november 2004 dat van betalingsonmacht geen sprake was. Wat betreft de vraag of sprake was van betalingsonwil heeft het hof, na bewijslevering, in zijn eindarrest geoordeeld dat [verweerder] niet onrechtmatig heeft gehandeld door [A] de facturen van [eiseres] niet te laten betalen, en dat het voor [A] niet voorzienbaar was dat de facturen van [eiseres] niet konden worden betaald. Dienaangaande overwoog het hof onder meer in rov. 2.2: "(...) Het hof neemt aan dat [verweerder] vanaf het moment dat de bank het krediet opzegde niet meer kon bewerkstelligen dat van de rekening van [A] betalingen aan [eiseres] werden gedaan. Vóór de antwoordconclusie na comparitie van 8 juni 2009 gingen partijen ervan uit, dat het krediet van [A] op 10 juli 1998 is opgezegd. Volgens de verklaring van [betrokkene 2] die als productie V bij deze conclusie is overgelegd, zou de bank op 9 juli 1998 een gesprek gehad hebben met de jurist [betrokkene 1] en zou deze geadviseerd hebben om de financiering op te zeggen en de rekening te blokkeren. Het hof gaat ervan uit, dat als dit juist is, [A] vanaf 9 juli 1998 geen […]”

r.o. 3.2.3

“Onderdeel 1 van het middel voert terecht aan dat rov. 2.2 van het eindarrest van het hof onbegrijpelijk is in het licht van de hiervoor in 3.2.4 weergegeven verklaring van [betrokkene 2], waarnaar het hof in de bestreden overweging verwijst. In rov. 2.2 oordeelt het hof dat [verweerder], als hij dat gewild had, tot 9 of 10 juli 1998 had kunnen bewerkstelligen dat de facturen van [eiseres] grotendeels werden betaald uit het tegoed op de bankrekening van [A]. In de verklaring van [betrokkene 2] wordt echter gesteld dat de opzegging van het krediet op 16 juli 1998 schriftelijk is bevestigd door Juridische Zaken van de bank, en dat tot die tijd de rekening van [A] niet was geblokkeerd. Deze tegenstrijdigheid in de motivering van het bestreden oordeel betreft een kwestie die in het partijdebat van wezenlijk belang was, nu [eiseres] in het kader van de primaire grondslag van haar vordering heeft betoogd - en [verweerder] heeft weersproken - dat [verweerder] vóór 16 juli 1998 zonder meer had kunnen bewerkstelligen dat [A] haar schuld aan [eiseres] zou betalen. [Verweerder] heeft dit nagelaten, aldus [eiseres], omdat hij belang erbij had dat de schuld van [A] aan de bank volledig zou worden voldaan, aangezien hij - [verweerder] - tegenover de bank in privé borg stond voor de behoorlijke nakoming door [A] van haar verplichtingen. 3.4 Omdat onderdeel 1 doel treft, geldt hetzelfde voor de daarop voortbouwende onderdelen 2 en 3. 3.5 De in de onderdelen 4-7 aangevoerde klachten kunnen […]”

r.o. 3.3

“Omdat onderdeel 1 doel treft, geldt hetzelfde voor de daarop voortbouwende onderdelen 2 en 3. 3.5 De in de onderdelen 4-7 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 oktober 2009; verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 4.285,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens, F.B. Bakels, C.A. Streefkerk en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 2 september 2011.”

r.o. 3.4

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2011:BQ5065
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
2 september 2011
Datum publicatie
2 september 2011
Spoor
Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 35 van 2011

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.