← Week 4

Hoge Raad · 27 januari 2012

Overname aandelen artikel 2:343 BW: forfaitaire rentevergoeding en geen uitvoerbaarheid bij voorraad

  • Geschillenregeling
  • Aandelenwaardering
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een uittredende aandeelhouder van twee besloten vennootschappen vorderde overname van zijn aandelen op grond van artikel 2:343 BW. De Hoge Raad oordeelt dat de rechter een forfaitaire vergoeding ter hoogte van de wettelijke rente mag toekennen voor het nadeel tussen overdracht en definitieve waardevaststelling, ook zonder vordering. Een uitspraak die de prijs vaststelt kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, maar dat leidt hier niet tot cassatie.

Kernoverwegingen

“De klachten van de onderdelen zijn ongegrond. Art. 2:340 lid 1 strekt ertoe dat de rechter, met inachtneming van het deskundigenbericht, zelfstandig de vergoeding vaststelt die voor de overgenomen aandelen verschuldigd is. Bij een redelijke toepassing van het in art. 2:343 BW kan de rechter bij de vaststelling van hetgeen in een geval als het onderhavige verschuldigd is rekening houden met het nadeel dat de eiser gedurende de periode tussen de overdracht van de aandelen en de definitieve vaststelling van de waarde daarvan lijdt door het gemis van het verschil tussen de vastgestelde waarde en het hem bij wijze van voorschot betaalde bedrag, en een forfaitaire vergoeding voor dat nadeel opnemen ter hoogte van de wettelijke rente. De omstandigheid dat [verweerder] geen wettelijke rente gevorderd heeft, behoefde de ondernemingskamer dus niet te weerhouden van toekenning van die vergoeding. De onderdelen falen. 3.4.1 Onderdeel 1 klaagt dat de ondernemingskamer ten onrechte haar arrest uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Daartoe wordt aangevoerd dat blijkens art. 2:343 lid 3 BW de (oorspronkelijke) gedaagden pas verplicht zijn de vastgestelde prijs ter overname van de aandelen te voldoen binnen twee weken nadat hun een afschrift van het onherroepelijk geworden vonnis als bedoeld in art. 2:340 lid 1 BW is betekend. De prijs van de aandelen is vastgesteld in het bestreden arrest en dat zou pas onherroepelijk zijn geworden na het ongebruikt verstrijken van de cassatietermijn, […]”

r.o. 3.3.2

“De opvatting van het onderdeel is juist. Uit de tekst van art. 2:343 lid 3 ("nadat hem een afschrift van het onherroepelijk geworden vonnis als bedoeld in artikel 340 lid 1 is betekend") volgt dat een vonnis of arrest waarbij de te betalen prijs wordt vastgesteld niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Uit die bewoordingen vloeit immers voort dat de wederzijdse prestaties eerst opeisbaar zijn nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden. Uitvoerbaarheid bij voorraad is met deze wettelijke regeling niet verenigbaar. Het onderdeel slaagt. Niettemin kan het onderdeel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, nu onderdeel 2 is verworpen en het arrest van de ondernemingskamer door de onderhavige uitspraak onherroepelijk wordt. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] op € 1.259,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter, de vice-president W.A.M. van Schendel, en de raadsheren J.C. van Oven, W.D.H. Asser en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 27 januari 2012.”

r.o. 3.4.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BU4970
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
27 januari 2012
Datum publicatie
27 januari 2012
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:340 BW, 2:343 BW, 6:119 BW, 6:81 BW
Thema
Geschillenregeling, Aandelenwaardering
Aangesproken
aandeelhouder
Weekoverzicht
Week 4 van 2012

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.