Hoge Raad · 13 december 2013
Herstel partijaanduiding in cassatie na fusie; auteursrecht toegepaste kunst
- Fusie en splitsing
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
De cassatiedagvaarding is uitgebracht namens een vennootschap die door fusie had opgehouden te bestaan. De Hoge Raad komt terug van zijn arrest uit 2004 en staat herstel van de partijaanduiding toe, tenzij de wederpartij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad. Boek 2 speelt alleen een rol doordat de fusie van artikel 2:309 BW aanleiding gaf tot dit procesrechtelijke punt; de rest van het arrest gaat over auteursrecht op meubelontwerpen.
Kernoverwegingen
“In zijn arrest van 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7324, NJ 2005/222 heeft de Hoge Raad in een vergelijkbaar geval geoordeeld (i) dat een rechtsmiddel in beginsel alleen kan worden aangewend door een ten tijde van die handeling (nog) bestaande procespartij, en (ii) dat het doen uitbrengen van een dagvaarding waarmee een rechtsmiddel wordt aangewend door een in de vorige instantie als partij opgetreden rechtspersoon die ten gevolge van een fusie als bedoeld in art. 2:309 BW inmiddels heeft opgehouden te bestaan, niet kan worden aangemerkt als een niet ter zake doende, zich steeds voor verbetering lenende, fout in de aanduiding van een procespartij. In het onderhavige geval zou toepassing van de in dit arrest gegeven regels meebrengen dat het verzoek van Montis tot herstel van haar onjuiste aanduiding in de cassatiedagvaarding wordt afgewezen en dat Montis niet-ontvankelijk wordt verklaard in het door haar ingestelde principale beroep.
5.5.1 Art. 398 Rv neemt voor de cassatie tot uitgangspunt dat een procedure dient plaats te vinden tussen de partijen uit de vorige instantie. Art. 332 Rv kent voor het hoger beroep hetzelfde uitgangspunt. Hiermee strookt dat tussen de procespartijen gezag van gewijsde (art. 236 Rv) toekomt aan beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen.
5.5.2 Op het uitgangspunt dat de procespartijen in een volgende instantie dezelfde moeten zijn als in de vorige instantie, geldt een uitzondering in geval van partijwisseling door […]”
r.o. 5.4
“De Hoge Raad ziet aanleiding op deze rechtspraak en die tendens voort te bouwen door terug te komen van de hiervoor in 5.4 vermelde regels, mede in aanmerking genomen dat het hier meestal gaat om louter formele fouten en dat met herstel daarvan in de regel geen materiële belangen van de wederpartij worden geschaad. Voortaan zullen bij de beoordeling of de aanduiding van een procespartij kan worden gewijzigd nadat de procedure in een volgende instantie aanhangig is gemaakt, de volgende regels gelden: (i) Een procedure in een volgende instantie dient in beginsel plaats te vinden tussen de partijen uit de vorige instantie; (ii) Indien een procedure in een volgende instantie aanhangig is gemaakt, kan een verschenen partij wijziging verzoeken van haar aanduiding in de procedure op de grond dat een vergissing is begaan in die aanduiding of een partijwisseling heeft plaatsgevonden; (iii) Het verzoek is toewijsbaar, tenzij de wederpartij stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat zij daardoor onredelijk in haar belangen wordt geschaad (vgl. art. 122 lid 1 Rv); (iv) Indien de wederpartij niet in de door het rechtsmiddel ingeleide procedure is verschenen, beveelt de rechter dat zij wordt opgeroepen teneinde zich over het verzoek tot wijziging uit te laten.”
r.o. 5.5.3
“In het onderhavige geval heeft [verweerster] niet gesteld dat zij door toewijzing van het verzoek van Montis onredelijk in haar belangen wordt geschaad. Het verzoek van Montis wordt dan ook toegewezen. Dit betekent dat de procedure in cassatie wordt gevoerd door Montis Holding B.V. Het ontvankelijkheidsverweer van [verweerster] wordt verworpen.”
r.o. 5.6