← Week 22

Hoge Raad · 31 mei 2013

Prejudiciële vraag pandrecht assurantieportefeuille; verweer artikel 2:207c BW nog niet beoordeeld

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW
  • Zijdelings

Samenvatting

De Hoge Raad ziet voorshands af van beantwoording van een prejudiciële vraag over de verpandbaarheid van een assurantieportefeuille, omdat de rechtbank eerst verweren moet beoordelen die de vraag mogelijk overbodig maken. Een van die verweren is de nietigheid van de verpanding op grond van het inmiddels vervallen artikel 2:207c BW (verbod op financiële steunverlening bij aandelenkoop). De Hoge Raad wijst daarbij op het overgangsrecht.

Kernoverwegingen

“Indien een van de hiervoor in 3.3 onder (a) of (b) genoemde verweren doel treft, is voor toewijzing van de vordering van [eiseres] geen plaats en is de vraag naar de verpandbaarheid van de assurantieportefeuilles niet meer ter zake dienende. De rechtbank heeft deze verweren evenwel nog niet behandeld, hetgeen meebrengt dat thans nog niet kan worden gezegd dat een antwoord op de aan de Hoge Raad voorgelegde vraag nodig is om op de eis of het verzoek te beslissen, zoals art. 392 lid 1 Rv vereist. 3.5 De Hoge Raad zal daarom in dit stadium afzien van behandeling van de prejudiciële vraag, zodat de rechtbank de genoemde verweren kan beoordelen, waarna zij de vraag - die zich als zodanig wel leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing - zo nodig andermaal aan de Hoge Raad kan voorleggen. 3.6 Bij de beoordeling van het op art. 2:207c BW gestoelde verweer dient in aanmerking te worden genomen dat die bepaling bij de op 1 oktober 2012 in werking getreden Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Stb. 2012/299) is komen te vervallen en dat art. V.1 van de Invoeringswet van die wet (Stb. 2012/300) met betrekking tot het overgangsrecht onder meer art. 81 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing verklaart. Onderzocht zal derhalve moeten worden of [X] of de curator op enig moment voorafgaande aan 1 oktober 2012 de nietigheid van de verpanding heeft ingeroepen. 4. Beslissing De Hoge Raad ziet voorshands af van beantwoording van […]”

r.o. 3.4

“Bij de beoordeling van het op art. 2:207c BW gestoelde verweer dient in aanmerking te worden genomen dat die bepaling bij de op 1 oktober 2012 in werking getreden Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Stb. 2012/299) is komen te vervallen en dat art. V.1 van de Invoeringswet van die wet (Stb. 2012/300) met betrekking tot het overgangsrecht onder meer art. 81 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing verklaart. Onderzocht zal derhalve moeten worden of [X] of de curator op enig moment voorafgaande aan 1 oktober 2012 de nietigheid van de verpanding heeft ingeroepen. 4. Beslissing De Hoge Raad ziet voorshands af van beantwoording van de prejudiciële vraag. Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, M.A. Loth, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 31 mei 2013.”

r.o. 3.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2013:CA1614
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
31 mei 2013
Datum publicatie
31 mei 2013
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:207c BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 22 van 2013

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.