Hoge Raad · 9 mei 2014
Curator ontbonden Curaçaose NV's: rekening en verantwoording door gevolmachtigde
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
De curator van twee ontbonden Curaçaose vennootschappen vordert rekening en verantwoording van een gevolmachtigde die gelden van de bankrekeningen heeft opgenomen. De ontbinding van de vennootschappen op grond van artikel 2:24 BW (Curaçao) vormt slechts de achtergrond. De Hoge Raad bevestigt dat een verantwoordingsplicht op grond van ongeschreven recht kan bestaan en verwerpt het cassatieberoep.
Kernoverwegingen
“In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1. Verkort weergegeven gaat het om het volgende.
(i) Zalinco Corporation N.V. en Ocana Corporation N.V. (hierna samen: de vennootschappen) zijn opgericht in 1981. De activiteiten van de vennootschappen beperkten zich tot het aanhouden van bankrekeningen in diverse landen.
(ii) ATC Corporation Services (Curaçao) N.V. (hierna: ATC) was statutair directeur van de vennootschappen. (iii) [verzoeker], zijn beide zusters (hierna: de zusters) en hun broer beschikten voor 2004 ieder over een ruime volmacht om de vennootschappen te vertegenwoordigen. (iv) Op instructie van [verzoeker] heeft ATC de aandelen in beide vennootschappen voor 50% gesteld op naam van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en voor 50% op naam van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). In 2004 heeft [betrokkene 1] zijn aandelen aan de zusters verkocht en aan hen geleverd. De overdracht is door (onder meer) [verzoeker] en de vennootschappen tevergeefs in rechte aangevochten.
(v) In verband met de gerezen conflicten is ATC per 1 april 2005 afgetreden als bestuurder van de vennootschappen.
(vi) De zusters hebben vervolgens het gerecht verzocht de vennootschappen op de voet van art. 2:24 BW te ontbinden. Zij hebben daartoe gesteld dat zij evenals [verzoeker] voor 50% aandeelhouder zijn van de vennootschappen, dat [verzoeker] door middel van de statutair bestuurder ATC het bestuur over de vennootschappen […]”
r.o. 3.1
“Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (vgl. onder meer HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548 en HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274). Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, […]”
r.o. 3.6
“Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat [verzoeker] gevolmachtigd was om gelden van de rekeningen van de vennootschappen op te nemen en zijn bevoegdheid ook daadwerkelijk heeft uitgeoefend. Voorts staat vast dat ook aan de zusters en broer van [verzoeker] volmachten zijn verstrekt, dat de zusters mede-aandeelhouders zijn en dat verschil van mening bestaat over de herkomst en beoogde bestemming van de opgenomen gelden. De vennootschappen ontplooiden geen activiteiten en werden statutair bestuurd door een trustkantoor (ATC) waarvan onduidelijk is of het een daadwerkelijk toezichthoudende rol uitoefende. De curator, die buiten het geschil tussen [verzoeker] en diens zusters staat, dient de vennootschappen te vereffenen en heeft daarbij rekening te houden met de mogelijkheid dat de vier kinderen voor gelijke delen gerechtigd zijn tot het vermogen van de vennootschappen. Het hof heeft de hiervoor in 3.6 vermelde maatstaven niet miskend door in deze omstandigheden, terecht en op goede gronden aansluiting zoekend bij de in de wet geregelde rechtsfiguren van opdracht en gemeenschap, een verplichting voor (ook) [verzoeker] aan te nemen tot het doen van rekening en verantwoording jegens de curator. Voor het overige is het oordeel van het hof verweven met waarderingen van feitelijke aard en is het begrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Hierop stuiten alle klachten van onderdeel I af.”
r.o. 3.7