Hoge Raad · 13 juni 2014
Enquête: geen recht op kopie gespreksopname en aanpassing verslag door gehoorde personen
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure vroeg de bestuurder van de onderzochte vennootschap dat de onderzoeker kopieën van gespreksopnames zou verstrekken en de gespreksverslagen zou aanpassen aan de opmerkingen van de gehoorde personen. De Hoge Raad oordeelt dat de onderzoeker vrij is in de inrichting van het onderzoek. Hij moet gehoorde personen wel in de gelegenheid stellen op de vastlegging te reageren en desgevraagd de opname te laten beluisteren, maar hoeft geen kopie te verstrekken of het verslag aan te passen. Het beroep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“De rolraadsheer heeft ter rolle van 28 maart 2014 als beslissing van de Hoge Raad meegedeeld dat de onderzoeker niet wordt opgeroepen. Daartoe is redengevend dat de onderzoeker zijn onderzoek verricht in opdracht en naar de aanwijzingen van de ondernemingskamer. Als een belanghebbende de ondernemingskamer vraagt aan de onderzoeker bepaalde aanwijzingen te geven, zal de ondernemingskamer alvorens te beslissen de onderzoeker in de gelegenheid kunnen stellen daarop te reageren. Als de onderzoeker hiervan gebruik maakt, brengt dat evenwel niet mee dat hij nadien, als een verzoeker of belanghebbende in cassatie komt van de beslissing van de ondernemingskamer, is te beschouwen als een partij of belanghebbende die in de vorige instantie is verschenen in de zin van art. 426b lid 1 Rv. Het voorgaande is niet anders onder het sinds 1 januari 2013 geldende enquêterecht, waarin is bepaald dat de ondernemingskamer bij de benoeming van de onderzoeker tevens een raadsheer-commissaris benoemt die aan de onderzoeker aanwijzingen kan geven met het oog op de goede gang van het onderzoek (art. 2:350 lid 4 BW).”
r.o. 2.4
“De door de ondernemingskamer benoemde onderzoeker heeft op de voet van art. 2:345 lid 1 BW tot taak een onderzoek in te stellen naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. De onderzoeksbevoegdheden van de onderzoeker zijn in de wet summier geregeld (de art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). De onderzoeker is, behoudens eventuele aanwijzingen van de ondernemingskamer – en inmiddels ook: de raadsheer-commissaris (art. 2:351 lid 4 BW) –, in beginsel vrij in de inrichting van het onderzoek en het verslag. Er zijn geen wettelijke voorschriften met betrekking tot de verslaglegging van verklaringen van personen die door de onderzoeker worden gehoord.”
r.o. 3.5.2
“Verklaringen van door de onderzoeker gehoorde personen zijn in het algemeen van invloed op diens bevindingen in het verslag. Daarmee kunnen zij ook van invloed zijn op de oordeelsvorming van de ondernemingskamer indien een tweedefaseprocedure volgt. Tegen de achtergrond van het voorgaande mag van de onderzoeker die verklaringen van door hem gehoorde personen (schriftelijk of elektronisch) vastlegt, worden verwacht dat hij de vastlegging doet toekomen aan de gehoorde persoon en aan deze persoon gelegenheid biedt binnen een door de onderzoeker te stellen redelijke termijn daarover opmerkingen te maken. Indien de gehoorde persoon zodanige opmerkingen maakt, is het aan de onderzoeker om te bepalen of en in hoeverre hij deze in de vastlegging verwerkt. De onderzoeker dient in zijn verslag in elk geval melding te maken van het feit dat de gehoorde persoon opmerkingen over de vastlegging heeft gemaakt.”
r.o. 3.5.4