Hoge Raad · 24 januari 2014
Prejudiciële vragen EEX-Vo bij aanspraak op bestuurder uit artikel 2:9 BW
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een Nederlandse vennootschap spreekt haar in Duitsland woonachtige voormalige directeur en bestuurder aan wegens onbehoorlijke taakvervulling (artikel 2:9 BW), schending van arbeidsrechtelijke verplichtingen en onrechtmatige daad. De Hoge Raad legt prejudiciële vragen aan het HvJEU voor over de EEX-Vo. De vragen betreffen de verhouding tot de arbeidsbepalingen, de kwalificatie van de verplichting tot behoorlijke taakvervulling als verbintenis uit overeenkomst of onrechtmatige daad, en de plaats van uitvoering of het schadebrengende feit. Het geding wordt aangehouden.
Kernoverwegingen
“Ter inleiding van deze vraag dient dat naar Nederlands recht onderscheid wordt gemaakt tussen de aansprakelijkheid van een persoon in zijn hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap (uit hoofde van schending van zijn vennootschapsrechtelijke verplichting tot behoorlijke taakvervulling krachtens art. 2:9 BW dan wel uit hoofde van onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 BW) en de afgezien van deze hoedanigheid op die persoon rustende aansprakelijkheid als werknemer van die vennootschap (uit hoofde van opzet of bewuste roekeloosheid bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:661 BW).”
r.o. 3.8.2
“Voor toepassing van art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo pleit dat het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ autonoom moet worden uitgelegd en – blijkens HvJEU 2 maart 1983, zaak 34/82 (Peters/ZNAV), ECLI:NL:XX:1983:AC7911, Jur. 1983, p. 987, NJ 1983/644 – onder meer ziet op verbintenissen die hun grondslag hebben in de tussen een (privaatrechtelijke) vereniging en haar leden bestaande lidmaatschapsverhouding. Dit biedt steun aan een uitleg waarbij ook de tussen een bestuurder en de door hem bestuurde vennootschap bestaande verbintenissen, in het bijzonder de op de bestuurder rustende verplichting tot behoorlijke taakvervulling, worden aangemerkt als ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in de zin van art. 5, aanhef en onder 1 (a), EEX-Vo.”
r.o. 3.9.2
“Voor toepassing van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo pleit dat de vordering waarmee een vennootschap haar bestuurder aanspreekt op grond van onbehoorlijke taakvervulling dan wel onrechtmatig handelen, niet wezenlijk verschilt van een vordering uit hoofde van delictuele aansprakelijkheid, hetgeen zou meebrengen dat de hieruit voortvloeiende verbintenissen worden aangemerkt als ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ als bedoeld in art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo.”
r.o. 3.9.3