Hoge Raad · 11 juli 2014
Inkoop eigen aandelen NV: inkoopverplichting behoeft geen statutaire grondslag
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een NV zette preferente aandelen om en trok ze in tegen een lagere waarde; kopers stelden dat de NV tot terugkoop verplicht was. De Hoge Raad oordeelt dat een verplichting van een NV tot inkoop van eigen aandelen niet in beginsel een statutaire grondslag behoeft, ook niet op grond van de artikelen 2:98 tot en met 2:98b BW. Het cassatieberoep wordt toch verworpen, omdat het hof ook afgezien van de statuten geen inkoopverplichting aannam.
Kernoverwegingen
“Ter bescherming van schuldeisers is de verkrijging van eigen aandelen door de NV in de art. 2:98, 2:98a en 2:98b BW aan beperkingen onderworpen. Zo mag de NV aandelen in haar kapitaal in beginsel alleen dan anders dan om niet verkrijgen, indien en voor zover daartoe voldoende vrij uitkeerbare reserves aanwezig zijn en indien en voor zover de algemene vergadering het bestuur daartoe in overeenstemming met het bepaalde in art. 2:98 lid 4 BW heeft gemachtigd. Indien aandelen van de NV zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, zoals in het geval van Unilever, geldt deze machtiging voor ten hoogste achttien maanden. Weliswaar kunnen de statuten de verkrijging door de NV van eigen aandelen uitsluiten of beperken, maar de wet bepaalt niet dat een verplichting van de NV tot inkoop van aandelen (in beginsel) een statutaire grondslag behoeft. Evenmin vloeit dit uit de wet voort. Voor zover het onderdeel hierover klaagt, is het gegrond.”
r.o. 3.3.2
“Het onderdeel kan evenwel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het hof heeft in rov. 2.13–2.20 geoordeeld dat op Unilever, ook afgezien van het ontbreken van een daartoe strekkende statutaire bepaling, geen verplichting is komen te rusten tot inkoop van de preferente aandelen. De hiertegen gerichte klachten, alsook de overige klachten van het middel, worden vruchteloos voorgedragen. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.”
r.o. 3.3.3