Hoge Raad · 14 november 2014
Verjaring bestuurdersaansprakelijkheid verhaalsfrustratie; aanvang termijn en stuiting na royement
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een verzekeraar stelt de bestuurder van haar agent persoonlijk aansprakelijk voor verhaalsfrustratie; de bestuurder beroept zich op verjaring. De Hoge Raad oordeelt dat bekendheid met gedragingen die later de oorzaak van de schade blijken te zijn, niet volstaat voor aanvang van de verjaringstermijn: bekendheid met de schade (het verhaalstekort) is vereist. Ook beëindigt een royement de stuiting van een eerdere procedure niet zonder meer. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak.
Kernoverwegingen
“Bij de beoordeling van dit onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle terzake dienende omstandigheden. (HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850, NJ 2012/193 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688, NJ 2012/194).”
r.o. 3.3.2
“De klacht is gegrond. Allianz betoogt terecht dat bekendheid met gedragingen van [verweerder] die later de oorzaak van de schade blijken te zijn, niet betekent dat de verjaringstermijn een aanvang neemt, nu het in dit verband erop aankomt of de benadeelde met de schade bekend is geworden. De schade waarvan Allianz vergoeding vordert, bestaat erin dat zij haar vordering op GS niet kan verhalen. Het ‘wegsluizen’ van door GS ten behoeve van Allianz ontvangen premiegelden behoeft echter – ook voor zover het daarbij gaat om substantiële bedragen – niet zonder meer een verhaalstekort bij GS tot gevolg te hebben. Daarbij is van belang dat enkel vaststaat dat de bewuste premiegelden zijn overgemaakt naar andere bankrekeningen dan die van Allianz en dat een deel daarvan is overgemaakt naar [A]. Onduidelijk is gebleven of een deel van de premiegelden mede ten gunste is gekomen van GS, doordat andere schuldeisers van GS daarmee zijn betaald. Bovendien heeft Allianz in de door het onderdeel aangehaalde plaatsen in de processtukken gesteld dat [verweerder] bij herhaling heeft aangevoerd dat deze gelden nog steeds op een ten behoeve en ten name van GS gestelde bankrekening staan. Nu het hof hierop niet is ingegaan, is reeds daarom zijn oordeel dat Allianz al in 1997 of 1998 met deze schade bekend is geworden, onbegrijpelijk gemotiveerd.”
r.o. 3.5.3
“Indien partijen de rechtsgevolgen van het royement niet bij overeenkomst hebben geregeld, staat het royement op zichzelf dus niet eraan in de weg dat de stuiting, aangevangen door het instellen van een eis in rechte, voorshands voor onbepaalde tijd doorloopt. Behalve ingevolge de in de wet voorziene mogelijkheid van een regeling tussen partijen, dient te worden aangenomen dat eveneens geen sprake meer is van stuitende werking wanneer de gerechtigde afstand heeft gedaan van zijn recht om de procedure na royement te hervatten, of wanneer de schuldenaar op grond van de omstandigheden van het geval erop mocht vertrouwen dat de bewuste procedure niet meer hervat zou worden.”
r.o. 3.7.5