← Week 15

Hoge Raad · 11 april 2014

Artikel 2:403 BW: geen voorrecht voor vordering uit 403-verklaring moedermaatschappij

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een werknemer van een failliete dochtermaatschappij wil haar bevoorrechte vordering ook als bevoorrecht erkend zien in het faillissement van de moedermaatschappij die een 403-verklaring had afgegeven. De Hoge Raad oordeelt dat voorrechten alleen uit de wet voortvloeien en dat artikel 2:403 BW geen voorrecht verbindt aan de vordering uit de aansprakelijkheidsverklaring. Ook een richtlijnconforme uitleg van de Vierde Richtlijn leidt niet tot een ander oordeel.

Kernoverwegingen

“Het onderdeel is ongegrond. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voorrechten alleen ontstaan uit de wet (art. 3:278 lid 2 BW). De aansprakelijkheid van Econcern berust op de door haar afgegeven 403-verklaring (HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447, rov. 3.4.3 (Akzo Nobel/ING Bank)). Nu art. 2:403 BW, noch enige andere wettelijke bepaling aan de vordering die op deze aansprakelijkheidsverklaring berust, een voorrecht verbindt, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de vordering van [eiseres] op Econcern niet bevoorrecht is. Daaraan doet niet af het door [eiseres] gestelde accessoire en subsidiaire karakter van de op de aansprakelijkheidsverklaring gebaseerde vordering, noch haar stelling dat het zou gaan om een nevenrecht, wat van deze stellingen ook zij. Het door [eiseres] gedane beroep op art. 6:142 BW kan reeds geen doel treffen omdat door het afleggen van de aansprakelijkheidsverklaring geen sprake is van overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser.”

r.o. 3.3.2

“Dit betoog kan niet worden aanvaard. Ingevolge de Richtlijn behoeven de lidstaten een aantal voorschriften daarvan niet toe te passen op tot een groep behorende vennootschappen, onder meer indien de beheersende vennootschap zich heeft garant verklaard voor de “door de afhankelijke vennootschap aangegane verplichtingen” (“the commitments entered into by the dependent company”). Het voorrecht van art. 3:288, aanhef en onder e, BW is echter niet een door de werkgever bij rechtshandeling aangegane verplichting, maar een voorrecht dat de wet verbindt aan bepaalde uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende vorderingen van een werknemer op zijn werkgever. Tekst noch strekking van de Richtlijn brengt mee dat aan de vordering op de moedermaatschappij uit hoofde van de aansprakelijkheidsverklaring eenzelfde voorrecht verbonden moet zijn. Uit de (considerans van de) Richtlijn blijkt niet van een verdergaand oogmerk dan dat de moedermaatschappij aansprakelijk is voor de desbetreffende verbintenissen van de dochtermaatschappij. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat een richtlijnconforme interpretatie niet meebrengt dat vorderingen die voortvloeien uit de 403-verklaring ook bevoorrecht (moeten) zijn indien de vorderingen jegens de dochtermaatschappij dat zijn. Het onderdeel faalt derhalve.”

r.o. 3.4.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2014:898
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
11 april 2014
Datum publicatie
11 april 2014
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:403 BW, 3:278 BW, 3:288 BW, 6:142 BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 15 van 2014

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.